Dagvaarden in kort geding: waar let een voorzieningenrechter op bij het treffen van een voorlopige voorziening?

Wanneer er sprake is van een spoedeisend belang kan een partij een onmiddellijke voorziening eisen bij de daartoe bevoegde voorzieningenrechter. De afdeling kort geding is een apart hiervoor ingericht specialisme binnen de zogenoemde civiele sector bij rechtbanken. In afwijking van de reguliere bodemprocedure is een zelfstandige procedure in kort geding niet met dezelfde waarborgen omkleed. Na toezending van een conceptdagvaarding en het verzoek om een zittingsdatum, wordt de zitting ongeveer binnen twee á zes weken na aanvraag ingeroosterd. Hoewel de eisende partij uitsluitend om een voorlopige voorziening mag verzoeken, kan een uitspraak van de voorzieningenrechter wel degelijk ingrijpende en desnoods onomkeerbare gevolgen hebben. In dit artikel worden de belangrijkste aspecten van het kort geding (in eerste aanleg) besproken.

Keuze voor kort geding

In een kort geding procedure zal de eisende partij iets met de nodige spoed trachten te bewerkstellingen en – in aansluiting daarop – aan de voorzieningenrechter verzoeken het gevorderde toe te wijzen. Bij de voorzieningenrechter kan een vordering tot betaling van een geldsom worden ingesteld, maar ook een gebod of verbod. Al dan niet vooruitlopend op een bodemzaak kan een kort geding om verschillende redenen worden opgestart. Te denken valt onder meer aan de incasso van een geldvordering (het zogenoemde incasso kort geding), het verkrijgen van zekerheden en het vlottrekken van onderhandelingen. Ook een vordering tot het opheffen van conservatoir beslag, een executiegeschil (met als strekking de tenuitvoerlegging van een vonnis te voorkomen), ontruiming van een pand en (of) het voorkomen van een ongewenste publicatie lenen zich bij uitstek voor een procedure in kort geding. De gevraagde voorziening in kort geding mag alleen een gedragsnormering inhouden. Het is in kort geding niet toegestaan om een verklaring voor recht te vragen (geen zogenoemd declaratoir vonnis). Ook voor een verzoek tot ontbinding, vernietiging of wijziging van een overeenkomst is in kort geding geen plaats. Wel mag een vordering ingrijpend zijn en zelfs onomkeerbare gevolgen hebben.¹ De regels van het Nederlandse civiele procesrecht zijn ook van toepassing op het kort geding, tenzij hiervan bij wet wordt afgeweken of wanneer de aard zich daartegen verzet. Net als bij een bodemprocedure heeft het kort geding eveneens tot doel om effectieve rechtsbescherming te geven in bepaalde omstandigheden.

Spoedeisend belang

De urgentie van een zaak kan ertoe nopen dat de eisende partij belang heeft bij een spoedig oordeel van de rechter. Een reguliere bodemprocedure kan soms wel jaren in beslag nemen, waardoor deze rechtsgang niet altijd in de gewenste adequate en tijdige oplossing voorziet. De wet schrijft voor dat de zaak tenminste spoedeisend moet zijn, bij gebreke waarvan de voorzieningenrechter de voorziening weigert. Tijdens het kort geding zal daarom moeten worden beoordeeld wat het spoedeisend belang is bij de eisende partij om reeds nu de verlangde aanspraak gerealiseerd te krijgen, althans in ieder geval een maatregel gerealiseerd te krijgen die de aanspraak in belangrijke mate zeker stelt. Daarnaast zal de voorzieningenrechter ook rekening houden met de belangen van de gedaagde partij. Daarbij dient de voorzieningenrechter te bekijken wat de ingrijpendheid van de verlangde maatregel is, althans het belang van gedaagde om daarvan verschoond te blijven. Kortom, de voorzieningenrechter oordeelt enerzijds over de aannemelijkheid van de aanspraak en weegt anderzijds de betrokken partijbelangen tegen elkaar af. De afweging daarvan zou kunnen behelzen dat de waarborgen van de bodemzaak dienen te moeten worden gevolgd. Omgekeerd kan onder omstandigheden worden gevergd dat – voor zover het spoedeisend belang van de eisende partij in voldoende mate zwaarder weegt dan het belang van de gedaagde partij – de gedaagde partij van de voor hem geldende waarborgen van een gewone civiele procedure afziet. Voor voornoemde waarborgen, waaronder (maar niet uitsluitend) een uitgebreide feiteninstructie, bewijsopdrachten en (of) het horen van getuigen, c.q. deskundigen, is in beginsel bij een kort geding procedure geen plaats.

Naast de partijbelangen dient de voorzieningenrechter ook acht te slaan op eventuele maatschappelijke belangen en moet worden bezien of de verlangde voorziening wel effectief is. Is dit laatste niet het geval dan zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Hetzelfde geldt als de eisende partij té veel vraagt. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat indien er door de eisende partij een spoedeisend belang gesteld is en de spoedeisendheid niet door de gedaagde partij wordt betwist, de voorzieningenrechter in de regel zal aannemen dat het spoedeisend belang gegeven is. De voorzieningenrechter zal dit niet ambtshalve toetsen.

Incasso van geldvorderingen

Zoals aangegeven behoort het instellen van een geldvordering in kort geding tot de mogelijkheden. De eisende partij moet daarbij aannemelijk maken dat de aansprakelijk op dat moment voldoende aannemelijk is. Dit geldt ook als de vordering (niet uitsluitend) in de vorm van een voorschot wordt gevorderd. Wel moet er volgens de rechtspraak terughoudendheid worden betracht bij geldvorderingen in kort geding. Er moeten dienaangaande feiten en omstandigheden worden aangedragen waaruit volgt dat onverwijlde spoed is geboden. Daarbij vindt wederom een belangenafweging plaats. Deze terughoudendheid vindt zijn oorsprong in de ontstane praktijk bij diverse arrondissementen, waarbij het kort geding steeds meer wordt gebruikt voor de incasso van geldvorderingen. Nu de wederpartij feitelijk de waarborgen van een uitgebreide bodemprocedure worden ontnomen, geldt hier een verzwaarde motiveringsplicht.

Restitutierisico

Bij het instellen van een geldvordering in kort geding zal de rechter in principe ook acht slaan op de financiële positie van de eisende partij. De kort geding procedure kan immers uitmonden in een bodemzaak, waarin (mogelijkerwijs) wordt geoordeeld dat de toegewezen bedragen in kort geding onterecht blijken te zijn. Indien de eisende partij in financieel zwaar weer verkeert (of zelfs failleert) kan dit betekenen dat de eerder betaalde bedragen niet meer op de eisende partij (in kort geding) kunnen worden verhaald. Tijdens het kort geding zal de eisende partij dan ook moeten anticiperen op een mogelijk verweer van de gedaagde partij ter zake het restitutierisico, alsmede moeten stellen dat een verwezenlijking van dit risico onaannemelijk is. Kortom, de stelplicht gaat veel verder dan die in een bodemzaak. Het restitutierisico kan worden beperkt door zekerheid te stellen, zoals bijvoorbeeld het verstrekken van een bankgarantie.

Dwangsom in kort geding

De voorzieningenrechter kan de maatregel die hij oplegt kracht bijzetten met een dwangsom. Dit is niet mogelijk voor zover het een geldvordering betreft. Door middel van het vorderen van een dwangsom wordt de gedaagde partij ontraden om de betreffende verboden handelingen door te zetten. Gebruikelijk is het om een dwangsom te vorderen voor iedere dag dat de gedaagde partij in gebreke blijft met het voldoen aan het vonnis.

Termijnen in kort geding

Na het toezenden van een conceptdagvaarding aan de rechtbank (en het in de regel verstrekken van verhinderdata van beide procespartijen) wordt een datum voor de zitting bepaald. Doorgaans vindt uiterlijk binnen zes weken na de aanvraagdatum de mondelinge behandeling plaats bij de rechtbank. Het kort geding kan een stressvolle aangelegenheid zijn voor partijen. De termijnen zijn over het algemeen kort en (los van de dagvaarding) kunnen producties – voor zover niet eerder beschikbaar – tot daags voor de zitting (en soms zelfs ter zitting) worden overgelegd. De procesgang is overzichtelijk: de procedure vangt aan met een inleidende dagvaarding, waarna de gedaagde partij zich – al dan niet bij monde van een advocaat – ter zitting kan verweren tegen de verzochte voorziening. De voorzieningenrechter wijst normaliter binnen twee weken na de zitting vonnis, behoudens dermate urgente situaties waarin deze termijn niet kan worden afgewacht. Na het gewezen vonnis kunnen partijen uiterlijk binnen vier weken hoger beroep instellen.

De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter moet te allen tijde beslissen. De belangenafweging zelf is daarbij altijd ad hoc. De voorzieningenrechter moet daarbij (voor zover toepasselijk) altijd rekening houden met eerdere beslissingen van de bodemrechter. Andersom is dat niet het geval. De voorzieningenrechter moet de voorliggende beslissingen van de bodemrechter respecteren. Dit is slechts anders indien er bijvoorbeeld sprake is van een kennelijke juridische misslag en (of) nieuwe feiten waarmee de rechter geen rekening had kunnen houden. Alleen dan kan de voorzieningenrechter afwijken van punten van de bodemrechter.

¹ HR 11 februari 1994, NJ 1994, 651

Dit artikel is geschreven door de sectie Ondernemingsrecht van de Amsterdamse vestiging van Van Diepen Van der Kroef Advocaten. Heeft u naar aanleiding van dit artikel verdere vragen, aarzelt u dan niet om contact op te nemen:

T: +31(0)20 574 74 74