Rechtmatig overheidshandelen leidt in de praktijk regelmatig tot schade; wanneer en tot welke hoogte kan schade tot nadeelcompensatie leiden?

Rechtmatig overheidshandelen leidt in de praktijk regelmatig tot schade. Dat valt nu eenmaal niet te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan wegwerkzaamheden of het verleggen van kabels en leidingen. In Nederland is algemeen geaccepteerd dat de overheid in bepaalde gevallen schade die individuen lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijk taak of bevoegdheid, moet vergoeden. Deze vergoeding wordt ook wel ‘nadeelcompensatie’ genoemd.

Niet altijd hoeft de overheid die schade te vergoeden en niet alle schade komt voor vergoeding in aanmerking. Alleen degene die, in vergelijking met anderen, onevenredig zwaar wordt getroffen door het rechtmatig overheidshandelen en alleen indien de schade het normaal maatschappelijk risico te boven gaat, dient daarvoor een vergoeding te ontvangen.

Vaststellen nadeelcompensatie

Vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico en daarmee van de omvang van de nadeelcompensatie is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan. De overheid mag daarbij gebruik maken van een standaard drempelwaarde (vaak 15% van een jaarlijkse omzet). Onder die drempelwaarde, mits deze voldoende wordt gemotiveerd, blijft de schade onder het normaal maat-schappelijk risico en hoeft het dus niet te worden vergoed.

Als het bestuursorgaan de drempelwaarde niet of onvoldoende motiveert, en later blijkt dat hij dat niet alsnog beter kan motiveren, mag de standaard drempelwaarde niet zomaar bij iedereen worden toegepast. Dit is recent geoordeeld door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) in haar uitspraak over hotel-restaurant ‘Wouwse Tol’ van 28 mei 2014.

Gebruik standaarddrempelwaarde

In deze uitspraak stelde de exploitant van de Wouwse Tol nadeel te hebben geleden door groot onderhoud aan de snelwegen waaraan zijn hotel-restaurant is gelegen. De Minister had zich op het stand-punt gesteld dat een weggebonden onderneming bewust heeft gekozen voor afhankelijkheid van toestroom van klanten over de weg, dat daarom de wegwerkzaamheden tot het normaal maatschappe-lijk risico behoren en de standaard drempel (15% van de omzet op jaarbasis), die voor de andere weggebonden ondernemingen werd gebruikt, kon worden toegepast. Nu de schade niet boven die drempel uitkwam, kwam de Wouwse Tol niet voor vergoeding van schade in aanmerking, aldus de Minister.In een tussenuitspraak oordeelde de Afdeling dat niet zonder meer, dat wil zeggen, niet zonder nadere motivering, valt in te zien dat het hanteren van een vaste ondergrens van 15% van de omzet als drempelwaarde redelijk is in een geval zoals van de Wouwse Tol, waarin de weggebonden onderneming een horecabedrijf is en geen tankstation. De Wouwse Tol had aangetoond dat een drempel van 15% van een jaarlijkse omzet anders uitpakt bij een tankstation dan bij een wegrestaurant.

Aanpassing drempelwaarde

Doordat de Minister niet alsnog kon onderbouwen waarom de drempelwaarde ook onder deze omstandigheden gerechtvaardigd was, was door de Minister, naar oordeel van de Afdeling, nog steeds geen deugdelijke motivering gegeven voor de hoogte van de toegepaste drempel. De Afdeling is van oordeel dat een vaste omzetdrempel op grond van verschillen in kostenstructuur en een wezenlijk andere verhouding tussen kosten en omzet bij verschillende ondernemingen, niet redelijk is. De Afdeling draagt de Minister op een drempelwaarde van 10% te hanteren en de schade die daarboven uitstijgt, te vergoeden.

Hieruit volgt dat een standaarddrempelwaarde (van 15%) niet langer zonder meer redelijk is en deze aldus niet klakkeloos door het bestuursorgaan mag worden toegepast. Het bestuursorgaan zal maatwerk moeten leveren, moeten differentiëren naar verschillende branches en bij toepassing van de drempelwaarde deugdelijk moeten motiveren waarom dat in de gegeven omstandigheden redelijk is.

Dit artikel is geschreven door onze sectie bestuursrecht.