Sluit Rechtbank Amsterdam de deur beoordeling Uniform Herstelkader?

Enkele maanden terug leek het erop alsof de Voorzieningenrechter in Amsterdam de deur opende voor de beoordeling van het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB. Deze voorzichtig geopende deur lijkt nu weer te worden gesloten. Of toch niet?

ECLI:NL:RBAMS:2019:10092 en ECLI:RBAMS:2020:116

Inleiding

Op 6 december 2019 deed de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam een vermeldenswaardige tussenuitspraak. De Voorzieningenrechter oordeelde in een geschil over de uitleg en inhoud van het Uniform Herstelkader dat een klant van de Rabobank, die ten onrechte geen aanbod krijgt, de bank moet kunnen aanspreken op naleving van het Uniform Herstelkader.

Professioneel of niet?

Het Uniform Herstelkader voorziet slechts voor een aantal limitatief omschreven gevallen de mogelijkheid dat de MKB-klant deze gevallen bij wijze van bindend advies aan de Derivatencommissie voorlegt. In de door de Voorzieningenrechter Amsterdam behandelde kwestie werd de vraag opgeworpen of de MKB-klant als professioneel in de zin van het Uniform Herstelkader moet worden aangemerkt. Is daarbij het toetsmoment het jaar 2008, met als gevolg dat de MKB-klant als niet-professioneel kon worden betiteld en aanspraak kan maken op vergoedingen uit het Uniform Herstelkader of het jaar 2012, waarbij tussen partijen vast stond dat niet meer het geval was?

Geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang

De Voorzieningenrechter oordeelde dat het Uniform Herstelkader voor deze vraag geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt. De vraag of Rabobank terecht heeft geoordeeld dat de klant als professioneel in de zin van het Uniform Herstelkader moet worden aangemerkt, moet aan de civiele rechter kunnen worden voorgelegd. De Voorzieningenrechter achtte zich dus bevoegd om hierover te oordelen. In mijn artikel “Rechtbank Amsterdam opent deur beoordeling Uniform Herstelkader” ga ik op dit tussenvonnis in.

Deur weer dicht?

Enkele weken later lijkt de deur weer te worden gesloten. De Voorzieningenrechter oordeelt in het eindvonnis in Kort Geding van 10 januari 2020 dat de vorderingen van de MKB-klant worden afgewezen. Deze afwijzing is niet onbegrijpelijk. Het is een logisch gevolg van een toets van de inhoud van het Uniform Herstelkader en de vaststelling van de feiten. De Voorzieningenrechter geeft daarmee uitvoering aan de weg die is ingezet bij het tussenvonnis van 6 december 2019, namelijk de inhoudelijke beoordeling of er al dan niet sprake is van professionaliteit volgens het Uniform Herstelkader.

Toch leidt verdere lezing van het gewezen eindvonnis ineens wel tot de vraag of inhoud en toepassing van het Uniform Herstelkader nog getoetst kunnen worden.

Overweging ten overvloede

De MKB-klant had namelijk ook gevorderd dat Rabobank werd veroordeeld tot afgifte van de onderbouwing van het aanbod dat zij aan de MKB-klant zou moeten doen. Onder 2.16 van het eindvonnis geeft de Voorzieningenrechter dan een overweging ten overvloede waarin zij oordeelt dat het niet aan de civiele rechter is om te treden in de uitvoering van het Uniform Herstelkader.

De Voorzieningenrechter overweegt verder dat, gelet op de tekst en inhoud van het Uniform Herstelkader, een eventueel aanbod uit hoofde van het Uniform Herstelkader geen aanbod tot schadevergoeding is, maar een coulancevergoeding. Het is aan de MKB-klant om het aanbod onder het Uniform Herstelkader al dan niet te aanvaarden. Aanvaardt de klant het aanbod, dan accepteert zij de voorwaarden van het Uniform Herstelkader. Doet zij dat niet, dan kan zij zich wenden tot de civiele rechter met een op het civiele recht gegronde vordering.

Deze overweging ten overvloede zorgt voor onduidelijkheid.

Op 6 december 2019 werd nog geoordeeld dat het Uniform Herstelkader geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang had voor de vraag of de MKB-klant als professioneel kan worden betiteld. Een vraag die zag op de inhoud en de toepassing van het Uniform Herstelkader. De Voorzieningenrechter toetste vervolgens ook de inhoud van het Uniform Herstelkader en of Rabobank het Uniform Herstelkader juist had toegepast.

Met deze overweging ten overvloede lijkt de Voorzieningenrechter ineens een terugtrekkende beweging te maken door te oordelen dat het niet aan de civiele rechter is om te treden in de uitvoering van het Uniform Herstelkader. Aanvaarding van het aanbod leidt immers tot acceptatie van de voorwaarden uit het Uniform Herstelkader.

Nadere verduidelijking

Een andere lezing is ook mogelijk. Het kan zijn dat de Voorzieningenrechter juist een nadere verduidelijking heeft gegeven. Deze zou dan als volgt luiden: De inhoud en toepassing van het Uniform Herstelkader kunnen door de civiele rechter worden getoetst, wanneer er geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. De uitvoering zelf, na aanvaarding van het aanbod of na de vaststelling door de civiele rechter dat de MKB-klant recht heeft op een aanbod, kan niet door de civiele rechter worden beoordeeld.

Wanneer bedoeld is een nadere verduidelijking van de mogelijkheden van toetsing te geven, dan verdient het aanbeveling dat deze nader door de Rechtbank Amsterdam worden uitgewerkt, ook om discussies over onaanvaardbare doorkruising van het Uniform Herstelkader te voorkomen.

De Rechtbank Amsterdam oordeelde bijvoorbeeld eerder al dat het vragen van een voorschot op schadevergoeding niet mogelijk is (Rechtbank Amsterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3681) en dat het Uniform Herstelkader geen ‘last resort’ is wanneer een schadevergoedingsactie bij de Rechtbank niet slaagt (Rechtbank Amsterdam 18 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1726) omdat dit tot een onaanvaardbare doorkruising van het Uniform Herstelkader zal leiden.

Conclusie

Volgens de tussenuitspraak van 6 december 2019 kan de beoordeling of een MKB-klant al dan niet terecht als professioneel onder het Uniform Herstelkader is aangemerkt door de civiele rechter worden getoetst. Deze toets lijkt plotseling door het eindvonnis in dezelfde zaak te worden afgezwakt. Wordt daarmee de deur van de beoordeling van het Uniform Herstelkader gesloten of is juist bedoeld een onderscheid aan te brengen in de toetsmogelijkheden? Een verdere verduidelijking door de Rechtbank Amsterdam verdient aanbeveling.

Voor vragen over dit artikel of advies op het gebied van financieringen of financiële producten kunt u contact opnemen met Martijn Bonefaas, advocaat Financieel RechtInsolventie & herstructurering en Partner bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten Hoorn.