Pandrecht op vorderingen: tips and tricks

Een pandrecht is één van de meest voorkomende vormen van zekerheid. In een eerder artikel ben ik al eens ingegaan op het pandrecht in algemene zin. Zoals ik daar schreef kan een pandrecht gevestigd worden op verschillende (niet register) goederen. Met deze bijdrage ga ik nader in op het pandrecht op vorderingen (debiteuren). Wat is het nut hiervan en waar moet u op letten?

Waarom een pandrecht op debiteuren?

Een pandrecht op debiteuren is een vorm van zekerheid voor een schuldeiser. Als zijn schuldenaar in verzuim raakt met terugbetaling van de (geld)vordering aan hem, dan kan de schuldeiser zich verhalen op de opbrengst van deze zekerheid. Het pandrecht schept voorrang op de opbrengst, ook in geval van faillissement.

Een bijkomend voordeel van een pandrecht op debiteuren is dat dit kan worden uitgewonnen door middel van inning. De pandhouder kan mededeling van zijn pandrecht doen aan de debiteuren waarvan de vorderingen zijn verpand. Vanaf dat moment kunnen deze debiteuren alleen nog maar bevrijdend aan de pandhouder betalen. Dit is doorgaans een eenvoudiger en minder kostbare vorm van uitwinning dan in het geval van een pandrecht op bijvoorbeeld inventaris of voorraden, waarbij verkoop in het openbaar of (na toestemming van de voorzieningenrechter of pandgever) onderhands plaatsvindt. Uitwinning van de vorderingen door middel van (openbare of onderhandse) verkoop is overigens wel mogelijk, maar inning is veel gebruikelijker.

In welke gevallen?

Van belang is natuurlijk of de zekerheid wel wat waard is. Dat zal ten eerste afhangen van de aard van de onderneming. Zo zal bijvoorbeeld een horecaonderneming over het algemeen niet of nauwelijks debiteuren hebben (de klanten zullen doorgaans direct afrekenen). Het vestigen van een pandrecht op vorderingen is dan weinig zinvol. Dat ligt anders bij een bedrijf dat lange(re) betaaltermijnen hanteert, zoals bijvoorbeeld een bouwonderneming.

Daarnaast verdient het aanbeveling om te controleren of de debiteuren geen (goederenrechtelijk) verpandingsverbod in hun algemene voorwaarden hebben opgenomen. In een dergelijk geval komt het pandrecht op de vordering niet tot stand. Overigens hanteren alle handelsbanken in hun algemene voorwaarden een dergelijk goederenrechtelijk verpandingsverbod. Een bankrekening met daarop een creditsaldo betreft een vordering op een bank en kan dus in beginsel worden verpand, maar het verpandingsverbod voorkomt dit. De enige mogelijkheid om een verpandingsverbod te omzeilen is toestemming te vragen aan de debiteur om de vordering alsnog te verpanden. Er is overigens wetgeving in de maak om verpandingsverboden af te schaffen, maar deze is nog niet van kracht. Verpandingsverboden met betrekking tot spaar- en betaalrekeningen zijn uitgesloten in het wetsvoorstel, verpanding van creditsaldo op bankrekeningen blijft dus zeer lastig.

Ook is van belang of de debiteuren niet al aan een andere partij zijn verpand. De partij die als eerste een pandrecht heeft gevestigd, kan zich in beginsel ook als eerste verhalen op de opbrengst. Een pandgever is dan wel verplicht om in de pandakte te verklaren of er al eerder pandrechten op de vorderingen zijn gevestigd, maar doet hij dit niet dan zal de oudste pandhouder toch als eerste verhaal hebben op de verpande debiteuren.

Vestiging

Er kan zowel een stil als openbaar pandrecht worden gevestigd op vorderingen. In geval van een openbaar pandrecht wordt er mededeling van de verpanding gedaan aan de verpande debiteur. In dat geval moet de debiteur ook betalen aan de pandhouder, tenzij deze de pandgever toestemming heeft gekregen van de pandhouder om de vorderingen te innen. In geval van stille verpanding wordt de verpanding niet medegedeeld aan de debiteur en moet deze ‘gewoon’ aan de pandgever betalen.

De vestigingsvereisten voor een openbaar en stil pandrecht zijn verschillend. Een openbaar pandrecht wordt gevestigd door middel van een onderhandse akte en de mededeling van de verpanding aan de debiteur. Vestiging van een stil pandrecht vindt plaats door middel van een authentieke (notariële) akte of door middel van een onderhandse akte. Die onderhandse akte moet dan wel geregistreerd worden bij de belastingdienst. Dat laatste wordt geregeld vergeten en dan komt het pandrecht niet tot stand.

In de pandakte hoeven de vorderingen niet specifiek te worden omschreven. De wet vereist dat de te verpanden vorderingen voldoende worden bepaald. Aan dat vereist is echter al voldaan als de pandakte voldoende gegevens bevat zodat aan de hand van die gegevens, eventueel achteraf, bepaald kan worden om welke vorderingen het gaat. Een generieke omschrijving in de pandakte is voldoende, zolang aan de hand daarvan maar uit de administratie van de pandgever kan worden achterhaald om welke vorderingen het ging. De vorderingen hoeven dan ook niet (zoals vroeger wel gebeurde) door middel van een lijst te worden gespecificeerd. Dit kan zelfs risico’s met zich brengen, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad. Hierin werd geoordeeld dat een bepaalde vordering niet was verpand, omdat in de pandakte verwezen werd naar een debiteurenlijst waarop de vordering niet was opgenomen.

Openbaar of stil pandrecht?

Het vestigen van zowel een openbaar als stil een pandrecht is vrij eenvoudig. Er is, anders dan bij de vestiging van een hypotheekrecht, geen tussenkomst van een notaris vereist en er kan in vrij algemene zin omschreven worden welke vorderingen worden verpand. Doorgaans wordt in de financieringspraktijk voor stille verpanding gekozen, omdat debiteuren dan gewoon kunnen blijven betalen aan de pandgever en dit de dagelijkse bedrijfsvoering niet beïnvloedt.

Naast de vestigingsvereisten is het grootste verschil tussen een openbaar en stil pandrecht de vorderingen waarop deze kunnen worden gevestigd. Zowel bestaande als toekomstige vorderingen kunnen worden verpand, maar daarbij geldt voor het stille pandrecht de beperking dat het pandrecht alleen gevestigd kan worden op toekomstige vorderingen uit al bestaande rechtsverhouding. Als na vestiging van het pandrecht een vordering op een nieuwe klant ontstaat, dan kan deze vordering dus niet onder het bestaande (stille) pandrecht vallen. Het opnieuw vestigen van een stil pandrecht is dan noodzakelijk om de vordering te verpanden.

Dit probleem is overigens vrij eenvoudig op te lossen door middel van verpanding op basis van een volmacht. De pandgever verstrekt in dat geval een doorlopende volmacht aan de pandhouder om de vordering die hij nog zal verkrijgen aan zichzelf (de pandhouder dus) te verpanden. Die volmachtpandakte dient dan wel geregistreerd te worden bij de Belastingdienst. Recent heeft de Hoge Raad benadrukt dat het mogelijk is om in één akte zowel een openbaar als stil pandrecht te vestigen. In bepaalde gevallen kan dit ook een mogelijkheid zijn om de beperking ten aanzien van toekomstige vorderingen te doorbreken, mits er maar aan het vereiste van mededeling is gedaan. Of in de pandakte is gekozen voor een stil of openbaar pandrecht zal volgens de Hoge Raad afhangen van de uitleg van de akte, waarbij als uitgangspunt geldt dat een zo ruim mogelijke zekerheidsstelling (en dus beiden vormen van verpanding) is beoogd.

Conclusie

Een pandrecht op debiteuren kan op relatief eenvoudige wijze een sterke zekerheid bieden voor uw uitstaande vordering. Ook de uitwinning ervan is relatief gemakkelijk en hoeft niet al te kostbaar te zijn. De vraag of een pandrecht op debiteuren een goede vorm van zekerheid kan bieden, moet echter van geval tot geval beoordeeld worden. Ook is het van groot belang dat pandrecht op de juiste manier wordt gevestigd, omdat het anders niet tot stand komt.

Bent u op zoek naar advies over het vestigen of uitwinnen van pandrechten? Of over een andere situatie waarbij financierings- en zekerheden vraagstukken spelen? Neem dan vooral contact met mij op.

Arjan van Dieren is advocaat en partner insolventie en herstructurering bij Van Diepen van der Kroef Advocaten te Utrecht. Voor vragen of opmerkingen is Arjan bereikbaar op het telefoonnummer 030- 236 4600 of via het e-mailadres a.vandieren@vandiepen.com.