Inhouding van loonheffing op het salaris van de speler vanwege aan zijn intermediair betaalde commissie. Mag dat in Nederland?

Inleiding

In januari 2018 sloot de Belastingdienst een nieuwe vaststellingsovereenkomst (VSO) met alle Betaald Voetbal Organisaties (BVO ‘s) in Nederland inzake de fiscale behandeling van door BVO ‘s aan een intermediair van een speler betaalde intermediairsbetalingen, ofwel “commissies”. De VSO ging ook nog eens met terugwerkende kracht – per 1 januari 2017 – gelden voor alle BVO ‘s. Een ingrijpende gebeurtenis die echter aan spelers en intermediairs – los van wat summiere informatieverstrekking – volledig voorbij ging, nu zij beiden geen partij waren bij de onderhandelingen die leidden tot de totstandkoming van deze lijvige VSO. Sterker nog, de inhoud van de VSO werd na de totstandkoming daarvan – kennelijk op uitdrukkelijk verzoek van de Belastingdienst – ook niet met spelers/intermediairs gedeeld.

Het is op zichzelf merkwaardig dat een VSO die vergaande fiscale consequenties heeft voor een vergoeding die namens een speler door een BVO aan een intermediair wordt voldaan, tot stand komt zonder dat de speler en de intermediair, althans afvaardigingen van deze groepen, daarbij partij zijn (geweest).

Nog merkwaardiger wordt het als een BVO vervolgens, nog altijd zonder de inhoud van de VSO met spelers en/of intermediairs te kunnen/willen delen, laat staan dat de BVO hierover met de speler/intermediair overeenstemming heeft bereikt, de rekening van deze fiscale consequenties wel – en ook nog eens met terugwerkende kracht – bij de speler neerlegt. Onmogelijk zult u waarschijnlijk zeggen? Toch niet. FC Twente is de eerste – en tot op heden nog de enige – BVO in Nederland die op basis van de gesloten VSO, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017, de rekening van de fiscale wijziging bij de speler neerlegt. Mag dat?

Daarover diende op 30 oktober 2018 een arbitragezaak bij de KNVB die door Van Diepen van der Kroef al enige maanden eerder namens een speler tegen FC Twente werd aangespannen. Het arbitraal vonnis wordt eind december 2018 verwacht. Binnenkort volgen er nog 8 spelers van FC Twente deze zelfde route tegen hun (ex) werkgever, waarin naar verwachting eind 2018/begin 2019 een zitting zal plaatsvinden.

De VSO

In de 22 pagina’s tellende VSO is kort samengevat het volgende bepaald:

1) een BVO mag nog slechts een gedeelte van de BTW die zij op een commissiefactuur voldoet, verrekenen. Voorbeeld. Een BVO betaalt aan een intermediair een commissie waarop EUR 5.000,– BTW dient te worden betaald door de BVO. Dan mag de BVO bijvoorbeeld nog maar EUR 3.000,– BTW daarvan aftrekken in haar Btw-aangifte;

2) een BVO moet loonheffing gaan afdragen over de commissie die zij namens een speler aan een intermediair voldoet. Voorbeeld. Indien er EUR 20.000,– ex BTW commissie door een BVO aan een intermediair wordt voldaan, dan moet de BVO daarover bijvoorbeeld nog EUR 5.000,– aan loonheffing inhouden en afdragen aan de Belastingdienst, omdat de aan de intermediair betaalde commissie door de Belastingdienst wordt gezien als een loonbestanddeel (loon in natura) van de speler.

Beide zaken dienen op basis van de VSO met terugwerkende kracht per 1 januari 2017 te worden doorgevoerd.

Wie dient de loonheffing te voldoen?

De vraag is nu met name waar de rekening van punt 2) moet – of beter gezegd kan – komen te liggen. Gaat de BVO die loonheffing voor haar rekening nemen zodat dit niet ten koste gaat van het netto loon van de speler, of dient de speler die loonheffing zelf voor zijn rekening te nemen, zodat dit ten koste gaat van zijn netto loon?
In de VSO is duidelijk opgenomen dat de BVO voor één van beide opties kan kiezen, nu daarin letterlijk is opgenomen:
“… dan wel het loon in natura wordt gebruteerd wanneer de club de LH voor haar rekening neemt”.

FC Twente is voorshands echter van oordeel dat zij de loonheffing op het salaris van de speler MOET inhouden. Zelfs als dit met terugwerkende kracht is, en dit niet vooraf, tijdens of na afloop van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst tussen de speler en FC Twente is overeengekomen. Hiermee heeft FC Twente zichzelf in eerste instantie een aanzienlijke loonheffing bespaart, echter de spelers zijn daarmee door FC Twente dus direct gekort op hun netto loon. De door ons vertegenwoordigde speler, en op dit moment in ieder geval tenminste een 8-tal andere spelers van FC Twente zijn het daar niet mee eens, en wij denken terecht. Waarom?

1) Indien een speler niet met de BVO is overeengekomen voor, tijdens of na afloop van de arbeidsovereenkomst dat een bepaalde fiscale heffing voor zijn rekening komt, en daar in de arbeidsovereenkomst en de commissieovereenkomst ook op geen enkele andere wijze tussen partijen in is voorzien, dan kan de BVO dit niet eenzijdig – en ook nog eens met terugwerkende kracht – doorvoeren.

2) Indien een BVO ook nog eens een willekeurig onderscheid maakt in die zin dat – onder volstrekt gelijke (contractuele) omstandigheden – bepaalde spelers wél en bepaalde spelers niet de loonheffing zelf moeten betalen is (ook) dat slecht werkgeverschap.

3) In vrijwel alle oude commissieovereenkomsten (dat wil zeggen die dateren van voor januari 2018) die BVO ‘s – dus ook FC Twente – hanteren, is opgenomen dat de commissie uitsluitend wordt betaald voor de arbeidsbemiddeling van de speler, waarbij de BVO als werkgever – op basis van de WAADI – met wettelijke uitsluiting van de speler/werknemer – verantwoordelijk is voor de betaling van de intermediair. De speler mag daarvan dus niet eens iets betalen, zo verklaren ook de BVO ’s in de meeste van deze commissieovereenkomsten onder verwijzing naar de WAADI.

FC Twente heeft dus niet correct gehandeld door de loonheffing zonder overeenstemming en met terugwerkende kracht op het netto loon van de speler in te houden, zo is onze mening. Maar wanneer zou een BVO de rekening van deze loonheffing nu wél bij de speler kunnen neerleggen?

In de VSO is – zoals eerder aangegeven – opgenomen dat BVO ’s de keuze hebben de loonheffing bij de speler neer te leggen, of deze voor eigen rekening te nemen, en het loon van de speler voor dat bedrag aan loonheffing te bruteren. Indien een BVO derhalve voorafgaande aan de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst deze fiscale heffing meeneemt in de onderhandeling met een speler en/of diens intermediair, en partijen komen vooraf overeen dat de loonheffing over de commissie (al dan niet gedeeltelijk) door de speler wordt voldaan, dan hebben partijen hierover overeenstemming bereikt. Indien dit vervolgens correct in de arbeidsovereenkomst en de commissieovereenkomst wordt opgenomen is daarover in beginsel geen discussie meer mogelijk. Hetzelfde geldt uiteraard op het moment dat de BVO overeenkomt met de speler en/of diens intermediair dat de BVO de loonheffing voor haar rekening neemt.

Conclusie

Partijen dienen de voorgaande materie dus onderdeel te laten worden van de onderhandeling en deze expliciet overeen te komen met elkaar, zo is ons advies. Doen BVO en speler/intermediair dat niet dan kan een BVO niet zomaar eenzijdig deze loonheffing bij de speler neerleggen, en ontstaan discussies/geschillen als de onderhavige. Die kunnen voorkomen worden door goed en duidelijk te onderhandelen en te contracteren over dit onderwerp. In bijvoorbeeld Engeland is dit al geruime tijd de geldende praktijk.

Of de VSO – althans de Belastingdienst – uitgaat van een juiste werkelijkheid door te stellen dat de commissie die een BVO aan een intermediair betaalt juist niet (volledig) aan arbeidsbemiddeling valt toe te rekenen, maar aan allerlei andere diensten die de intermediair aan de speler zou verlenen, waardoor de commissie van de intermediair nu door de Belastingdienst als zogenaamd “loon in natura” wordt beschouwd, is een interessante discussie waar heel veel voor en tegen in te brengen valt. Vooralsnog is de huidige VSO echter de realiteit tot en met tenminste 30 juni 2021, en die zal zo blijven zolang BVO ’s niet de mogelijke strijd aangaan tegen deze VSO.

Heb je als speler, intermediair of BVO vragen of problemen samenhangend met deze problematiek, neem dan contact op met Joes Blakborn: advocaat-partner, specialist sportrecht & arbeidsrecht bij Van Diepen van der Kroef Advocaten in Amsterdam

j.blakborn@vandiepen.com

020 – 574 74 74

Whatsapp