Parkeerplaatsen voor eigen gebruik, dus niet voor de buren!

Openbaarheid van parkeerplaatsen kan niet worden afgedwongen in omgevingsvergunning
In de meeste bouwverordeningen is een bepaling opgenomen over het in voldoende mate ruimte aanwezig hebben voor het parkeren van auto’s. Als er onvoldoende parkeerruimte ten behoeve van een bouwplan aanwezig is, dan dient de vergunningaanvraag voor dat plan te worden geweigerd. Als er wel genoeg parkeerplaatsen worden gerealiseerd, dan kan de omgevingsvergunning – eventueel met een afwijking van het bestemmingsplan – worden verleend. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid is ter beoordeling van het bevoegd gezag. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent in een uitspraak vastgesteld dat het bevoegd gezag daarbij niet van de eigenaar mag verlangen dat deze de parkeerplaatsen aan een ieder beschikbaar moet stellen.

Parkeerplaatsen ten behoeve van appartementen
Een ontwikkelaar heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van 11 appartementen. Ten behoeve van de appartementen zouden 12 parkeerplaatsen worden aangelegd. Volgens het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Montfoort zouden deze parkeerplaatsen openbaar moeten zijn, zodat een ieder daar auto’s zou kunnen parkeren. Het bouwplan is later uitgebreid naar 12 appartementen, waarvoor een extra parkeerplaats zou worden aangelegd. Aan de omgevingsvergunning voor het extra appartement is door het College een uitdrukkelijk voorschrift verbonden waarin is bepaald dat ook die parkeerplaats openbaar en vrij toegankelijk moest zijn. Volgens het College was dit ook in de omgevingsvergunning voor de 11 appartementen zo bepaald. De ontwikkelaar kon zich niet vinden in het standpunt van het College dat de parkeerplaatsen openbaar moesten zijn. De ontwikkelaar wenst de huurders van de appartementen te kunnen voorzien van voldoende parkeergelegenheid. Dit werd door de besluitvorming van het College onmogelijk gemaakt, aangezien onder andere bezoekers van een nabij gelegen supermarkt nu hun auto’s op de parkeerplaatsen konden parkeren. De ontwikkelaar heeft de zaak daarom aan de bestuursrechter voorgelegd.

Ter beschikking stellen parkeerplaatsen aan derden
Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)kan het College voorschriften aan een omgevingsvergunning verbinden, die nodig zijn met het oog op belangen die in de wet zijn aangegeven. In de procedure heeft het College uitgelegd dat het voorschrift was gebaseerd op artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b van de bouwverordening. Dit artikellid ziet op het belang bij de aanwezigheid van voldoende parkeerruimte ten behoeve van het bouwplan, anders dan op eigen terrein. De ontwikkelaar realiseerde de parkeerplaatsen namelijk niet direct naast de appartementen, maar op een nabij gelegen terrein. Het College verwachtte dat de bewoners van de appartementen op openbare parkeerplaatsen nabij de appartementen zouden parkeren, waardoor de parkeerdruk zou toenemen. Dit was de reden dat het College verlangde dat de ontwikkelaar de parkeerplaatsen van het bouwplan aan een ieder beschikbaar zou stellen.

Voorschrift leidt niet tot openbaarheid parkeerplaats
Volgens de Afdeling houden de belangen die het College wenst te beschermen door middel van het voorschrift verband met de belangen die artikel 2.10, eerste lid aanhef en onder b, van de Wabo Artikel 2.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelezen in verbinding met artikel 2.5.30 van de bouwverordening, beoogt te beschermen. Artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening ziet op het belang bij de aanwezigheid van voldoende parkeerruimte ten behoeve van het bouwplan, anders dan op eigen terrein. De Afdeling stelt echter vast dat in de omgevingsvergunning de aan te leggen parkeerplaats niet gekoppeld is aan het aangevraagde extra appartement. Het voorschrift legt aan de ontwikkelaar de verplichting op een ieder toegang te verlenen tot het perceel om daar een motorvoertuig te kunnen parkeren. Daaruit vloeit in dit geval volgens de Afdeling tevens voort dat de ontwikkelaar dient te dulden dat openbaar verkeer gebruik maakt van zijn uitweg om het perceel te bereiken. De parkeerplaats – alsmede de overige 12 parkeerplaatsen – zijn namelijk niet aan een openbare weg gelegen, maar uitsluitend te bereiken via een uitweg die is gelegen op privéterrein van de ontwikkelaar. Namens de ontwikkelaar is betoogd dat het moeten dulden van verkeer in strijd zou zijn met het stelsel van de Wegenwet, waaruit volgt dat dit slechts aan de orde kan zijn bij een openbare weg. Van dit laatste is geen sprake, immers de uitweg is gelegen op privéterrein.

De Afdeling heeft de ontwikkelaar in zijn betoog gevolgd en overweegt in de uitspraak dat uit het stelsel van de Wegenwet volgt dat rechthebbenden op een weg slechts alle verkeer, behoudens de beperkingen als bedoeld in artikel 6 van de Wegenwet, hebben te dulden wanneer de weg openbaar is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet. Voor zover het perceel kan worden aangemerkt als een weg als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wegenwet, is deze slechts openbaar indien is voldaan aan artikel 4 van de Wegenwet. Daaraan is in dit geval niet voldaan.

De Afdeling maakt voorts de belangrijke opmerking dat het perceel bovendien niet openbaar kan worden door middel van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift. Er kan dus slechts sprake zijn van openbaarheid van de weg als wordt voldaan aan de vereisten van de Wegenwet. Het voorschrift kan er derhalve niet toe leiden dat de ontwikkelaar is gehouden af te zien van het plaatsen van opschriften zoals “eigen weg”, “particuliere weg”, “private weg” en dergelijke, zoals wel door het College is beoogd, aldus de Afdeling.

De Afdeling oordeelt op basis van het voorgaande dat het door het College gestelde voorschrift in strijd is met artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening. Gelet daarop, is de Afdeling van oordeel dat het gestelde voorschrift omtrent de openbaarheid en vrije toegankelijkheid van de parkeerplaats in strijd is met artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo. De hoogste bestuursrechter heeft zelf in de zaak voorzien en aan de omgevingsvergunning een aangepast voorschrift verbonden, dat voorschrijft dat ten behoeve van het appartement in een parkeerplaats voorzien moet zijn. Hiermee is een duidelijke oplossing gegeven voor het tussen partijen gerezen geschil.

Conclusie
Het College is dus weliswaar bevoegd om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, maar deze dienen wel het beoogde belang te behartigen, in dit geval voldoende parkeerruimte ten behoeve van het bouwplan. Het is niet mogelijk om door middel van een voorschrift het stelsel van de Wegenwet te doorkruisen en de openbaarheid van parkeerplaatsen af te dwingen. Parkeerplaatsen kunnen alleen als voorwaarde worden gesteld ten behoeve van de gebruikers van het bouwplan.

De ontwikkelaar is in deze procedure bijgestaan door Lucinda Hoogewerf, advocaat Bestuursrecht bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten in Hoorn.