Opzegging huurovereenkomst met exclusieve drankafnameverplichting

In horecabedrijven komen exclusieve drankafnameverplichtingen zeer veel voor. Deze verplichte drankafname kent verschillende verschijningsvormen. De verplichting kan worden opgenomen als onderdeel van een financiering, maar het gebeurt ook dat de horecaondernemer de benodigde bierinstallatie of een garantstelling ervoor in ruil krijgt. Deze overeenkomsten gelden dan veelal tussen partijen: de bierleverancier en de horecaexploitant.

Bierleveranciers willen ook graag dat hun drank op specifieke horecalocaties geschonken wordt. Om dit te bewerkstelligen kopen of huren bierleveranciers horecapanden, die zij vervolgens (onder)verhuren aan horecaexploitanten waarbij de exclusieve afnameverplichting in de overeenkomst van onderhuur bedongen is.

Een dergelijk beding beperkt de exploitant in de wijze waarop hij zijn onderneming kan drijven. Voorts loopt hij door de vaste prijsafspraken kortingen mis. Uit onderzoek van de Koninklijke Horeca Nederland blijkt dan ook dat horecabedrijven die gebonden zijn aan een bierleverancier, minder winst maken. Ook drukken de afnameverplichtingen de waarde van de horecaonderneming en het horecapand. Het komt dus vaak voor dat horecaexploitanten van de verplichtingen af willen. Zij worden echter belemmerd door de contracten met de bierbrouwerijen.

Opzegging huurovereenkomst met exclusieve drankafnameverplichting
In de uitspraak van 8 november 2016 van de rechtbank Overijssel was de bierleverancier hoofdhuurder van het horecapand. De exploitant was onderhuurder en kreeg de afnameverplichting opgelegd. In deze zgn. A-B-C situaties mag de bierleverancier de afnameverplichting opleggen voor de duur van de huurovereenkomst, waarna deze eventueel verlengd kan worden. De exploitant wilde van de verplichting af nadat hij het horecapand had gekocht. Op grond van de wettelijke beëindigingsgronden zei hij de huurovereenkomst met de bierleverancier op.

Op grond van art. 7:296 lid 3 BW dient de rechter bij de opzegging de belangen van de exploitant en de leverancier af te wegen. De bierbrouwer, Grolsch, exploiteerde de horecaonderneming niet en had de afnameverplichting uit de onderhuurovereenkomst derhalve als enig belang bij het voortzetten van de hoofdhuurovereenkomst. De rechter acht doorslaggevend dat de huurovereenkomst dát belang van Grolsch niet beschermd, oftewel, Grolsch kwam bij gebrek aan belang geen huurbescherming toe. Daar kwam bij dat niet vaststond dat Grolsch na de opzegging geen leverancier meer kon zijn.

Horecaonderneming en contractuele verplichtingen
Voornoemde exploitant kwam redelijk makkelijk van de afnameverplichting af: doorgaans zal het lastiger zijn. Het is daarom van belang dat wanneer u een horecaonderneming start, of drijft, u goed op de hoogte bent van de contracten die u met verschillende partijen heeft. Dat u weet wat erin staat, maar vooral dat u weet wat uw rechten en mogelijkheden zijn.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel dan kunt u contact opnemen met één van onze advocaten in Amsterdam.