Dwaling bij renteswapovereenkomst, het vervolg

In een eerdere publicatie besprak ik de stand van zaken in een tweetal procedures die voor het Gerechtshof Amsterdam werden gevoerd inzake een beroep op dwaling.

In de zaak die tussen ABN AMRO Bank en een vastgoedondernemer speelde werd op 10 november 2015 een tussenarrest gewezen, waarin aan de partijen de gelegenheid is gegeven voor overleg over een minnelijke regeling op basis van de bevindingen van het hof die niet mals voor ABN AMRO waren. In deze zaak is op 11 oktober 2016 een eindarrest gewezen.

Tussenarrest 10 november 2015

Het tussenarrest van 10 november 2015 kwam er kort gezegd op neer dat het door de vastgoedondernemer ingeroepen beroep op vernietiging vanwege dwaling slaagt. Deze vernietiging leidt er toe dat partijen zonder rechtsgrond hebben gepresteerd en dat het door de vastgoedondernemer gevorderde nettobedrag van € 2.029.024,43 toewijsbaar is.

Ook heeft het hof in het tussenarrest geoordeeld dat ABN AMRO Bank nog een vordering uit onverschuldigde betaling op de vastgoedondernemer heeft, die moet worden bepaald aan de hand van art. 6:210 lid 2 BW (zie ook het arrest van het Gerechtshof van 15 september 2015).

In mijn eerdere publicatie heb ik aangegeven dat het standpunt van het hof dat de bank een vordering op de vastgoedondernemer heeft, niet onomstreden is. Dat maakt voor deze vastgoedondernemer niet uit, omdat die vordering in deze procedure helemaal niet aan de orde is. ABN AMRO Bank heeft in deze procedure namelijk geen beroep op verrekening gedaan.

Nadere verweren ABN AMRO Bank

Na het tussenarrest heeft ABN AMRO Bank nog het verweer opgeworpen dat verrekening zoals het hof bedoelt niet aan de orde is. Volgens ABN AMRO Bank gaat het hier niet om vorderingen over en weer uit hoofde van uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeiende verbintenissen, maar om een wijze van schadebepaling waarbij wordt vergeleken wat de vastgoedondernemer zou hebben gedaan als hij geen renteswap zou hebben afgesloten met de werkelijke situatie.

Volgens het hof slaagt dat verweer niet. ABN AMRO Bank ziet eraan voorbij dat de renteswapovereenkomst vanwege dwaling is vernietigd en dat als gevolg daarvan de prestaties van de vastgoedondernemer zonder rechtsgrond zijn verricht en dat hij daarom recht heeft op ongedaanmaking van die prestaties. Het gaat hier volgens het hof niet om een vergoeding of bepaling van schade, de maatstaf waar de ABN AMRO Bank bij wil aansluiten.

Ook voert de ABN AMRO Bank aan dat zij geen reconventionele vordering hoeft in te dienen of een beroep op verrekening hoeft te doen. Ook dit verweer slaagt volgens het hof niet.

Vonnis wordt vernietigd

Het hof vervolgt met de constatering dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen en dat het bestreden vonnis daarom zal worden vernietigd. Ook wijst het hof de door de vastgoedondernemer gevorderde verklaring voor recht dat de swapovereenkomst buitengerechtelijk is vernietigd en het gevorderde bedrag van € 2.029.024,43 toe.

Wettelijke handelsrente

De vastgoedondernemer vordert de wettelijke handelsrente over de door hem aan ABN AMRO Bank betaalde bedragen, vanaf het moment van betaling tot het moment van terugbetaling door ABN AMRO Bank. Omdat ABN AMRO Bank geen verweer heeft gevoerd tegen deze rentevordering, wijst het hof ook deze vordering toe.

Vanwege de hoogte van de uitstaande vordering en de hoogte van de wettelijke handelsrente is dit een dure misslag. Of ABN AMRO Bank wettelijke handelsrente verschuldigd is, is nog maar de vraag.

De wet kent twee soorten rentebepalingen. Deze zijn te vinden in de artikelen 6:119 en 6:119a BW. Het laatste artikel is geschreven voor handelsovereenkomsten en biedt recht op een hogere schadevergoeding, de wettelijke handelsrente.

Artikel 6:119a lid 1 BW definieert een handelsovereenkomst als een overeenkomst van levering van goederen of diensten om baat die gesloten is tussen natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en/of rechtspersonen.

In dit geval kan aangevoerd worden dat er sprake is van een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling en niet uit hoofde van de overeenkomst (die namelijk als vernietigd wordt beschouwd).

In de jurisprudentie wordt een vordering tot betaling van wettelijke handelsrente in verband met onverschuldigde betaling veelal afgewezen. Zie daartoe bijvoorbeeld de arresten van het Gerechtshof Den Bosch van 26 april 2016 en 25 januari 2011  en Rechtbank Middelburg 25 mei 2007.

Schadevergoeding

Tenslotte wijst het hof ook een laatste vordering van de vastgoedondernemer toe. De vastgoedondernemer heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat ABN AMRO Bank heeft geweigerd de hypotheek op een onroerende zaak door te halen. ABN AMRO Bank heeft deze vordering bij gebrek aan wetenschap betwist. Het hof oordeelt dat vaststaat dat ABN AMRO Bank de hypotheek ten onrechte niet heeft doorgehaald, vindt de mogelijkheid dat de vastgoedondernemer als gevolg daarvan schade heeft geleden aannemelijk en wijst de vordering toe.

Voor vragen of advies over dit onderwerp kunt u terecht bij Martijn Bonefaas, advocaat Financieel Recht bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten in Hoorn.