22-8-2016: Uitspraak Yuri van Gelder, van belang voor topvoetbal??

Als trouw lezer van de Voetbal International (VI) viel mijn oog op een artikel in de editie van 17 augustus 2016 met de volgende titel: “Uitspraak Yuri van Gelder van belang voor topvoetbal”.
In dit artikel, waarin de algemeen directeur van PSV Toon Gerbrands werd geïnterviewd, werd gesteld dat de uitspraak van Yuri van Gelder van belang zou zijn voor het topvoetbal in Nederland.

Als advocaat sportrecht en als geregistreerd intermediair bij de KNVB wekte deze stelling mijn bijzondere belangstelling. Was deze stelling wel juist?

Vooropgesteld dient te worden dat Toon Gerbrands zich ruimschoots als een zeer capabele voetbalbestuurder heeft bewezen, na eerdere zeer succesvolle werkzaamheden voor de Nederlandse Volleybal Bond. Vanuit juridisch oogpunt klopt zijn stelling echter niet.

I. De mogelijkheden voor een contractspeler/sporter in Nederland om zijn recht te halen

Het eerste dat Gerbrands stelt ten aanzien van de vordering van Van Gelder is het volgende.

“Stel dat zijn eis was toegewezen. Dan zou elke topsporter, en dus ook betaald voetbalspeler, die een sanctie krijgt opgelegd naar de rechter kunnen stappen. Dat was een precedent geweest.”

Waarom klopt deze stelling niet? In de eerste plaats klopt deze stelling niet omdat in ieder spelerscontract dat een Betaald Voetbal Organisatie (BVO) met een contractspeler aangaat, een zogenaamde ‘arbitrageclausule’ wordt opgenomen. Dit houdt in dat de BVO en de contractspeler vooraf overeenkomen dat zij – in het geval van voorkomende geschillen tussen hen beiden – deze voorleggen aan de arbitragecommissie van de KNVB, dit met uitsluiting van de bevoegdheid van de (civiele) rechter.

Op het moment dat er derhalve een geschil ontstaat tussen de contractspeler en de BVO, ook in het geval van een geschil inzake opgelegde disciplinaire maatregelen wegens vermeend onprofessioneel gedrag (zoals bijvoorbeeld alcoholgebruik, agressie etc.), dient het geschil te worden voorgelegd aan de arbitragecommissie van de KNVB te Zeist. In die zin nemen contractspelers van een BVO dus een andere positie in dan topsporters, zoals in casu Yuri van Gelder. In de atletenovereenkomst die de atleten met het NOC*NSF zijn aangegaan is immers niet een dergelijke arbitrageclausule opgenomen, zodat de topsporter Yuri van Gelder zich inderdaad wel tot de “gewone” rechtbank diende te, althans kon, wenden.
In de tweede plaats klopt de stelling niet omdat veel sportbonden en sportclubs in andere sporten ook werken met arbitrageclausules zoals de KNVB die voorschrijft, zodat ook in die gevallen sporter, sportclub en/of sportbond niet terecht komen bij de rechtbank, maar bij arbitrage instituten, zoals bijvoorbeeld het Instituut Sport Rechtspraak (ISR).

Voorts klopt de stelling niet, omdat iedere contractspeler die van mening is dat aan hem door zijn werkgever, zijnde de BVO, een onterechte sanctie is opgelegd, zich te allen tijde kan wenden tot de arbitragecommissie van de KNVB. Daar verandert de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2016 in zake Yuri van Gelder niets aan. Ook een voor Yuri van Gelder positieve uitspraak had aan dit reeds bestaande gegeven niets veranderd. In die zin is voormelde stelling van Gerbrands dus ook niet juist.

II. De grondslag voor het sanctioneren van een contractspeler/sporter; de sanctie mag niet strijdig zijn met de artikelen 2:8, 2:15 en/of 7:904 BW

Een interessante vraag is de vraag wanneer een BVO, of een sportclub of een sportbond, een contractspeler/topsporter kan sanctioneren vanwege gedragingen die volgens hem/haar (en in het geval van Yuri van Gelder volgens het NOC*NSF) niet te tolereren zouden zijn.

Uit de uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake Yuri van Gelder van 12 augustus 2016 blijkt een aantal zaken. In de eerste plaats blijkt, zoals ook reeds in de media werd gecommuniceerd, dat iedere atleet die voor Nederland naar de Olympische Spelen is afgevaardigd, een zogenaamde atletenovereenkomst heeft getekend met het NOC*NSF. Partijen zijn daarin contractuele verplichtingen met elkaar aangegaan. Eén van die verplichtingen is artikel 6 lid 3 van de atletenovereenkomst waarin partijen overeenkwamen:

“De topsporter spant zich zoveel als mogelijk in om maximaal sportieve prestaties te leveren, zowel ter voorbereiding op als tijdens de Olympische Spelen en geeft daartoe volledig en toegewijd en met een optimale sportieve inzet uitvoering aan het programma.”

Artikel 6 lid 4 van diezelfde atletenovereenkomst vermeldt nog:

“De topsporter gedraagt zich op een zodanige wijze als van een goed lid van team NL (Rio 2016) verwacht mag worden, zowel tijdens de sportbeoefening als daarbuiten en neemt daarbij onder meer maar niet uitsluitend het gestelde in de IOC Code of Ethics in acht.”

In artikel 20 van de atletenovereenkomst is vervolgens exact aangegeven welke sancties het NOC*NSF kan opleggen bij het niet naleven van de overeenkomst, althans in casu de artikelen 6.3 en 6.4 zoals hiervoor uit deze overeenkomst geciteerd. In artikel 20 lid 1 sub a wordt als één van de mogelijke sancties vermeld:

“NOC*NSF kan bij niet-naleving door de topsporter van een of meer van in deze overeenkomst opgenomen verplichtingen, een of meer van de navolgende maatregelen nemen:
a) uitsluiting van deelname aan de Olympische Spelen.”

Artikel 20 lid 2 vermeldt nog:

“Voordat NOC*NSF een besluit neemt over het al dan niet naleven van de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen en het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, wordt de topsporter altijd gehoord.”

Op grond van de atletenovereenkomst, meer in het bijzonder de hierboven geciteerde bepalingen, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland overwogen dat Yuri van Gelder met zijn gedragingen (bovenmatig alcoholgebruik, slechte nachtrust, het missen van een training) aantoonbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de artikelen 6.3 en 6.4 van de voorgenoemde atletenovereenkomst.

Nu in deze zelfde atletenovereenkomst ook duidelijk is opgenomen welke sancties het NOC*NSF kon opleggen bij het overtreden van deze bepalingen, bestond er daarmee dus – na het horen van Yuri van Gelder overeenkomstig artikel 20.2 van de overeenkomst – een contractuele/juridische grondslag aan de zijde van het NOC*NSF om Yuri van Gelder verder uit te sluiten van deelname aan de Olympische Spelen.

Maar waar moet een voorzieningenrechter of een arbitragecommissie een dergelijke beslissing van een sportclub of sportbond, althans van het NOC*NSF, nu aan toetsen? De meeste sportclubs en sportbonden bezitten rechtspersoonlijkheid. Zij zijn vaak vormgegeven in bijvoorbeeld een stichting of een vereniging, zoals ook het NOC*NSF. De vereniging is daarmee dus ook onderworpen aan de wetgeving zoals die voor rechtspersonen is uitgewerkt in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin staat bijvoorbeeld artikel 2:8 BW (lid 1):

“Lid 1:Een rechtspersoon en degene die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.”

“Lid 2: De tussen hen krachtens Wet, gewoonten, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

In artikel 2:15 BW staat vervolgens:

“Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar:
Sub b: Wegens strijd met een redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 wordt geëist.”

Naast de artikelen 2:8 en 2:15 BW wordt in zaken als deze ook vaak aansluiting gezocht bij een artikel in het Burgerlijk Wetboek dat staat onder de titel die gaat over de vaststellingsovereenkomst, artikel 7:904 BW. Tussen partij Yuri van Gelder en het NOC*NSF was immers een overeenkomst gesloten. In dat kader werd namens Yuri van Gelder op basis van artikel 7:904 BW betoogd dat de beslissing, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar was. Dit artikel is vrijwel gelijkluidend aan artikel 2.8 BW en luidt:

“Lid 1: Indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar.”

In die zin heeft de voorzieningenrechter vanuit juridisch oogpunt een juiste beslissing genomen, nu deze tot de conclusie kwam dat beslissing die gebaseerd was op de artikelen zoals overeengekomen in de atletenovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dus niet onaanvaardbaar was. Daarmee betoog ik niet dat de beslissing van het NOC*NSF om Yuri van Gelder naar huis te sturen, per definitie een juiste beslissing is geweest; ik kom alleen tot de conclusie dat de beslissing vanuit juridisch oogpunt verdedigbaar is.

Op grond van de genoemde wettelijke bepalingen kan derhalve worden geconstateerd dat, mocht in casu de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland hebben geoordeeld dat de met de atleten in de atletenovereenkomst overeengekomen regels naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wél onaanvaardbaar zouden zijn geweest, de advocaat van Yuri van Gelder de artikelen 6.3, 6.4 en 20 uit de atletenovereenkomst met een beroep op deze wettelijke bepalingen met succes zou hebben kunnen (laten) vernietigen. In een voorlopige voorziening had een dergelijke vernietiging door de voorzieningenrechter zelf niet uitgesproken kunnen worden, dit kan alleen in een zogenaamde bodemprocedure, maar de voorzieningenrechter had daarop wel een voorschot kunnen nemen, zodanig dat de werking van het besluit door het NOC*NSF teruggedraaid had moeten worden.

Dat dit in vergelijkbare zaken wel degelijk kan worden geoordeeld door een voorzieningenrechter blijkt bijvoorbeeld uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 22 april 2011
waarin de KNVB in kort geding werd gedagvaard door een voetbaltrainer die in zijn optiek ten onrechte door de KNVB voor een zeer lange periode werd geschorst.

De KNVB verwees in dat geval naar haar eigen (in die zaak reeds uitgeputte) tuchtrechtelijke mogelijkheden en stelde op grond daarvan ten eerste dat de civiele rechter onbevoegd was en ten tweede dat de beslissing van de tuchtorganen van de KNVB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zou zijn (vergelijk de artikelen 2:8 en 2:15 BW). In die zaak oordeelde de voorzieningenrechter echter enerzijds dat ze bevoegd was om in volle omvang van het geschil kennis te nemen en anderzijds dat de door de tuchtorganen van de KNVB aan de trainer opgelegde schorsing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voorshands wel onaanvaardbaar was, op grond waarvan de functieontzeggingen van de trainer, in afwachting van een uitspraak in de bodemprocedure, werden geschorst. De trainer mocht daarmee dus weer aan het werk.

In die zaak had de trainer echter – in tegenstelling tot in de zaak van Yuri van Gelder – geen kennis kunnen nemen van het verbod dat aan hem door de KNVB was opgelegd, terwijl Yuri van Gelder in zijn zaak, gezien de door hem getekende atletenovereenkomst, wel vooraf op de hoogte was van de gedragingen die hij wel en de gedragingen die hij niet mocht begaan. In het theoretische geval dat Yuri van Gelder dus geen atletenovereenkomst met het NOS*NSF had getekend en hij niet exact op de hoogte was geweest van hetgeen er wel/niet van hem verwacht werd, dan was de kans dus groter geweest dat Yuri van Gelder de sanctie van het NOS*NSF met succes had kunnen aanvechten wegens mogelijke onaanvaardbaarheid van de beslissing naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid.

Uit deze uitspraak van de rechtbank Utrecht, maar ook uit andere uitspraken tussen sporters en sportbonden in vergelijkbare zaken de afgelopen jaren, blijkt derhalve dat een rechtbank (of een arbitragecommissie) sportbonden en/of sportclubs wel degelijk op de vingers kan tikken als zij beslissingen nemen die niet in overeenstemming zijn met de hiervoor aangehaalde wetsartikelen 2:8, 2:15 en/of 7:904 BW.

III. Wetten van de topsport?

Terugkomend op het artikel in VI blijkt dus dat de wet sporters wel degelijk de mogelijkheid biedt om beslissingen van sportbonden, sportclubs en dus ook van BVO’ s te laten toetsen door een rechter, althans in voorkomende gevallen door een arbitragecommissie.

In het geval van een contractspeler en een BVO zou dit alsdan op basis van dezelfde wetsartikelen worden getoetst door de arbitragecommissie van de KNVB. In dat kader valt ook de volgende stelling van de heer Gerbrands in hetzelfde artikel moeilijk te plaatsen. Gerbrands geeft aan:

“Iemand die sportman is, moet zich daarnaar gedragen. Volgens de rechter hoeft niet precies omschreven te worden wat daar allemaal wel en niet onder valt. Deze uitspraak past bij de wetten van de topsport zoals ik die voor ogen heb.”.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dus dat er geen zogenaamde “wetten van de topsport” zijn. Sportbonden, sportclubs en dus ook BVO’ s zijn simpelweg gebonden aan de Nederlandse wet. Binnen de wet hebben zij uiteraard de mogelijkheden om atleten met wie zij een atletenovereenkomst zijn aangegaan (zoals in het geval van Yuri van Gelder) of zoals in het geval van een BVO, contractspelers waarmee zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan, te sanctioneren, mits binnen de grenzen die de wet daaraan stelt.

In het geval van Yuri van Gelder was duidelijk tussen de atleet en het NOC*NSF overeengekomen in de atletenovereenkomst wat wel en wat niet van hem verwacht werd. Uiteraard heeft de voorzieningenrechter in zaken die aan hem worden voorgelegd altijd de uiteindelijke discretionaire bevoegdheid om de feitelijke gedragingen (in casu alcoholgebruik, te laat thuiskomen en het missen van een training) te beoordelen en te toetsen aan de hand van de contractuele/wettelijke bepalingen. In dit geval oordeelde de voorzieningenrechter dus dat de voormelde gedragingen van Yuri van Gelder een tekortkoming in de nakoming van de atletenovereenkomst betekenden, een zogenaamde wanprestatie overeenkomstig artikel 6:74 BW. Omdat ook de eventuele op te leggen sancties contractueel met Yuri van Gelder waren vastgelegd, was dit juridisch dus een juiste – althans verdedigbare – beslissing naar maatstaf van de wet.

Op het moment dat er echter geen dergelijke atletenovereenkomst met Yuri van Gelder zou zijn gesloten, was het zeer wel mogelijk geweest dat de beslissing van het NOC*NSF de toets van de artikelen 2.8 en 2.15, dan wel artikel 7:904 van het Burgerlijk Wetboek, mogelijk niet had kunnen doorstaan, nu er dan geen duidelijke contractuele/ juridische grondslag voor de sanctie was geweest, en de (zware) sanctie daarmee wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geweest had kunnen zijn. Datzelfde zou in het verlengde daarvan ook kunnen gelden voor BVO’ s indien zij een contractspeler op een grondslag en op een wijze sanctioneren die niet past binnen de grenzen die het overeengekomen spelerscontract en/of de wet daaraan stelt.

Gerbrands sluit af met de volgende stelling:

“Veel zaken zijn subjectief. Als een coach vindt dat een speler zijn best niet doet, is dat subjectief, maar mag hij daar best tegen optreden. De rechter heeft dat nu bevestigd. Daarom is dit voor het voetbal een niet te onderschatten uitspraak.”

Gerbrands vergelijkt hierbij echter twee verschillende dingen met elkaar. In het geval van Yuri van Gelder ging het immers om een atleet die een atletenovereenkomst met het NOC*NSF had getekend en die door het NOC*NSF naar huis werd gestuurd. Hij had dus geen arbeidsovereenkomst zoals een contractspeler die met zijn BVO heeft. Dat is een groot verschil en maakte het voor het NOS*NSF in mijn optiek makkelijker een dergelijke sanctie op te leggen dan wanneer er sprake was van een arbeidsovereenkomst, waarbij een dergelijke beslissing ook de toets van het Nederlandse arbeidsrecht zou moeten hebben doorstaan.

De vergelijking makend met een bestaande arbeidsovereenkomst tussen een contractspeler en een BVO en de situatie van Yuri van Gelder zou dit naar huis zenden van Yuri van Gelder dus in feite gelijk staan aan het ontslag op staande voet althans aan de op non-actief stelling van de contractspeler Luuk de Jong van PSV na een nachtje doorzakken voor/na (u mag kiezen) een Champions League wedstrijd.

In het geval van een ontslag op staande voet of non-actief stelling is iedere BVO, dus ook PSV, (gelukkig) gebonden aan de Nederlandse wet en moet er op basis van boek 7 titel 10 van het Burgerlijk Wetboek (dat handelt over de arbeidsovereenkomst) worden vastgesteld, of er zowel objectief als subjectief, een dringende reden is voor het ontslag van Luuk de Jong. Dat is dus per definitie geen uitsluitend subjectieve toets van een rechter, dan wel in het geval van de contractspeler van de arbitragecommissie van de KNVB, maar een zware toets naar de letter van het Nederlandse arbeidsrecht.

Met zijn laatste opmerking doelt Gerbrands echter kennelijk – of misschien beter gezegd; hopelijk – op het opleggen van minder zware sancties aan contractspelers zoals geldboetes, straftrainingen; en meer van dat soort sancties. Dat zijn natuurlijk sancties van een totaal andere orde dan het naar huis sturen van de Olympische Spelen van een atleet of het ontslaan op staande voet van een contractspeler. Maar zelfs dergelijke sancties zoals het opleggen van geldboetes zijn wel degelijk in de wet gereguleerd.

Zo geldt ook voor BVO’s artikel 7:650 van het Burgerlijk Wetboek waarin staat:

Lid 1: “De werkgever kan slechts boete stellen op de overtreding van de voorschriften van de arbeidsovereenkomst, indien in de arbeidsovereenkomst de voorschriften op de overtreding waarvan boete is gesteld en het bedrag van de boete zijn vermeld.”

Lid 2: “De overeenkomst waarbij boete wordt bedongen, wordt schriftelijk aangegaan.”

Lid 3: “De overeenkomst waarbij boete is bedongen, vermeldt nauwkeurig de bestemming van de boete. Zij mogen noch onmiddellijk, noch minnelijk strekken tot persoonlijk voordeel van de werkgever zelf of van degene aan wie de werkgever de bevoegdheid heeft verleend om aan werkgevers een boete op te leggen.”

Lid 4: “Iedere boete, in een overeenkomst bedongen, is op een bepaald bedrag gesteld, uitgedrukt in het geld waarin het loon in geld is vastgesteld.”.

Lid 5: “Binnen een week mag aan de werknemer geen hoger bedrag aan gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in geld vastgesteld loon voor een halve dag. Geen afzonderlijke boete mag hoger dan dit bedrag worden gesteld.”

Iedere BVO is dus ook bij het opleggen van sancties zoals boetes gebonden aan dit wetsartikel.

IV: Conclusie: Uitspraak Van Gelder van weinig/geen belang voor het topvoetbal in Nederland

Kortom, de suggestie die Gerbrands wekt al zouden BVO’ s, sportclubs en sportbonden met de uitspraak de bevestiging hebben gekregen dat ze min of meer subjectief mogen bepalen wanneer en op welke wijze zij een contractspeler, althans een topsporter sanctioneren, is echt een onjuiste conclusie. Wellicht een goed moment voor contractspelers van PSV, dan wel van andere BVO’ s om de sancties die zij van hun werkgever opgelegd krijgen (zoals bijvoorbeeld de boetes voor te laat komen, schoenen niet poetsen, en dergelijke) gezien het voorgaande eens kritisch tegen het licht te houden.

Het belang van de uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake Yuri van Gelder is, gezien het voorgaande, voor het topvoetbal in Nederland echter van weinig tot geen belang.

Mr. Joes Blakborn
Advocaat Sportrecht en KNVB geregistreerd intermediair