Vuistregels voor een beroep op het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht

In de praktijk van het bestuursrecht gebeurt het nog wel eens dat cliënten een aanschrijving krijgen van de gemeente tot verwijdering van een bouwwerk op hun perceel, wat er soms al tientallen jaren staat en zonder bouwvergunning is opgericht. Ze stellen mij dan de vraag of zij een beroep kunnen doen op het feit dat hun gebouw al heel lang aanwezig is en dat zij niet de enige zijn met een dergelijk gebouw. Dit was ook het geval in een uitspraak van de Raad van State van 22 april 2015 (AB 2016/23).

Beleving vertrouwensbeginsel

Uit inmiddels een groot aantal rechterlijke uitspraken blijkt dat het vertrouwensbeginsel in de beleving van veel burgers een grotere rol speelt dan dat juridisch vaak afgedwongen kan worden. In de praktijk blijkt een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts zelden te worden gehonoreerd. Er wordt soms zelfs wel eens gezegd dat door deze strengere eisen je eigenlijk kan stellen dat het vertrouwensbeginsel in de praktijk is afgeschaft.

In de uitspraak waar het hierom gaat was in 1995 een bijgebouw neergezet met een oppervlakte 73 m². Dit zonder bouwvergunning. Daarbij kwam ook nog dat uit gemeentelijke inventarisatie uit 2010 bleek dat hij niet de enige was. De eigenaar van dit gebouw gaf aan dat hij vertrouwen mocht ontlenen aan het feit dat het bouwwerk reeds sinds 1995 stond en in die tijd passief was gedoogd. Daarbij speelde ook dat de gemeente in 2007 al een aanschrijving had gedaan aan deze burger, waarbij ook de optie was gegeven om een bouwvergunning aan te vragen. Vervolgens hoorde deze burger helemaal niets tot november 2013, maar liefst zes jaar later. Op dat moment werd hij aangeschreven met de aankondiging dat tot handhaving zal worden overgegaan als het gebouw niet verwijderd zou worden.

Algemeen belang

Het uitgangspunt is dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om tot handhaving over te gaan. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien:

  • Er concreet zicht bestaat tot legalisering;
  • Handhavend optreden zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie dient te worden afgezien.

Door de burger werd ook nog aangeven dat er een concrete mondelinge toezegging was gedaan door een bepaald persoon binnen de gemeente. Aan de hand hiervan ging de Raad van State nog eens door de criteria voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarvoor is het volgende nodig:

  • Een aan het bestuursorgaan toe te rekenen,
  • concrete, ondubbelzinnige toezegging,
  • gedaan door een daartoe bevoegde persoon,
  • waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

In deze uitspraak konden de gestelde door de ambtenaar gedane uitlatingen niet aannemelijk worden gemaakt.

Vuistregels

Enkele vuistregels aan de hand van deze uitspraak:

  1. Ga überhaupt nooit uit van de vertrouwbaarheid van mondelinge overheidsinformatie. Als het erop aankomt valt die vaak niet te bewijzen.
  2. Stuur altijd een bevestigingsmail aan het bevoegde bestuursorgaan naar aanleiding van een dergelijk gesprek, waarin dit gesprek wordt bevestigd en wacht op antwoord.
  3. Een burger die in overtreding is en wiens overtreding passief wordt gedoogd, kan niet te snel denken dat er rechten ontleend kunnen worden aan sec het verstrijken van tijd in zijn voordeel is. Volgens vaste jurisprudentie is het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee handhavend optreden dient uit te blijven. Er is zelfs een uitspraak waarin een bouwwerk wat er al meer dan 50 jaar stond toch weg moest (RvS 25 juni 2014 Nissenhut Berghem).
  4. Vertrouw niet op (actief en passief) gedogen, hoelang dat ook heeft geduurd.

Sander Hartog (1972) is advocaat-partner bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten in Alkmaar en gespecialiseerd in vastgoedrecht. Ook is hij gediplomeerd NMI-mediator, waarbij hij zich vooral richt op mediations in de bouw.