Toekenning transitievergoeding in een voorwaardelijke ontbinding na een niet terecht gegeven ontslag op staande voet.

Werknemer is sinds 20 oktober 2008 in dienst als planner bij een logistiek bedrijf, De Zwaluw. Op 10 juni 2015 is werknemer op staande voet ontslagen nadat was ontdekt dat hij een concurrerende vennootschap had opgericht. De Zwaluw verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de ontslaggrond verwijtbaar handelen (de e-grond) en de verstoorde verhouding (de g-grond), zonder toekenning van enige vergoeding (artikel 7:671b lid 1 sub a BW juncto artikel 7:669 lid 3 sub e en sub g BW).

Oud recht?

Werknemer verweert zich tegen ontbinding en verzoekt om een ontbindingsvergoeding C=1,5 onder toepassing van oud recht. De kantonrechter overweegt dat het verzoek tot (voorwaardelijke) ontbinding is ter griffie ontvangen op 9 juli 2015, dus na inwerkingtreding van de WWZ. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (33818, 3, p. 126-127) wordt geoordeeld dat een (voorwaardelijke) ontbindingsprocedure niet kan worden aangemerkt als een geding dat betrekking heeft op de opzegging, omdat de ontbindingsprocedure naar haar aard ziet op een andere manier van beëindiging van de arbeidsovereenkomst en in zoverre geen betrekking heeft op de opzegging wegens een dringende reden. Het verzoek moet zodoende worden beoordeeld op basis van het per 1 juli 2015 geldende recht.

Geen sprake van verwijtbaar handelen door werknemer

De door De Zwaluw gestelde feiten leveren een redelijke grond voor ontbinding op zoals bedoeld in onderdeel e. Ontbinding vindt plaats met ingang van 1 oktober 2015. Ter zitting heeft werknemer verzocht een transitievergoeding toe te kennen. Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW is de transitievergoeding niet verschuldigd bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De kantonrechter heeft in de kort gedingprocedure geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, valt niet in te zien dat daarvan sprake is. Dat betekent dat de werkgever de transitievergoeding is verschuldigd en zal worden veroordeeld tot betaling van € 9.212,70 bruto.

Bron: kantonrechter Alkmaar, 30 juli 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:6703

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 7, 2015.