Hippische aansprakelijkheid: eigen schuld, dikke bult!

Recentelijk heeft de rechtbank Gelderland een interessante uitspraak gedaan op het gebied van hippische aansprakelijkheid. De casus was – verkort weergegeven – als volgt:

Persoon A was voornemens om een paard te kopen bij een paardenfokkerij. Omdat het de bedoeling was dat het nichtje van persoon A het paard zou gaan berijden, maakt het nichtje een proefritje op het paard. Wanneer het nichtje in galop op het paard zit, draait het paard zich plotsklaps om. Het nichtje valt daardoor van het paard en loopt ernstige letselschade op, waarop het nichtje de paardenfokkerij aansprakelijk stelt voor de door haar geleden schade.

Hoofdregel aansprakelijkheid

In Nederland draagt een ieder in beginsel zijn eigen schade. Dit is anders wanneer er sprake is van een ‘onrechtmatige daad’ of van ‘risicoaansprakelijkheid’. Risicoaansprakelijkheid is beperkt tot een aantal in de wet geregelde gevallen. Eén van de gevallen wordt geregeld in artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat een bezitter van een dier aansprakelijk is voor de schade die ontstaan door toedoen van het dier, ongeacht of de bezitter ook een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de schade.

Eigen schuld

Hoewel de mate van verwijtbaarheid van de bezitter van een dier (blijkbaar) geen rol speelt in de vraag of deze aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan, kan het toch zinvol zijn om een “eigen schuld verweer” te voeren in een hippische kwestie. De Hoge Raad heeft namelijk in het kader van een paardrijlesovereenkomst geoordeeld dat, wanneer geen der partijen een verwijt kan worden gemaakt, hieruit kan voortvloeien dat de schade niet volledig op de bezitter van het dier kan worden verhaald. In een dergelijke situatie is de onverwachte gedraging van het paard immers niet (geheel) onverwacht. De berijder van het paard wist namelijk ook dat een paard onverwachte gedragingen kan vertonen tijdens een rijles en heeft dit risico bewust aanvaard.

De rechtbank Gelderland past deze regel analoog toe op de “proefrit- zaak”, waarbij op basis van de omstandigheden van het geval wordt geoordeeld dat het nichtje 33% van de eigen schade moet dragen. De paardenfokkerij draait op voor de overige 67% van de schade.

Conclusie

U begrijpt dat een (hippische) aansprakelijkheidskwestie nooit zwart- wit is. Het is daarom altijd raadzaam om juridische bijstand in te schakelen wanneer u uw schade na een val van een paard op een ander wilt verhalen, dan wel om juridische bijstand in te schakelen wanneer u voor deze schade aansprakelijk wordt gesteld.

Heeft u naar aanleiding van voorgaande nog vragen? Of wilt u juridische bijstand in een hippische kwestie? Neemt u dan gerust contact op met Nick Poggenklaas (n.poggenklaas@vandiepen.com).