Woman Capital – databankenrecht en de bankrekening

(ook verschenen: Jutd 2015/0132 d.d. 19-11-2015)

Recent bleek uit een uitspraak van de Amsterdamse kortgedingrechter dat een financieel conflict dreigt te leiden tot de openbare executieveiling van de gegevens van zo’n tienduizend topvrouwen in Nederland.

Een vergelijkbare situatie deed zich nog naar ons weten nog niet eerder voor in de rechtspraak. Hoe kan het dat (alleen) de kaartenbak van dit bureau aan de hoogste bieder wordt aangeboden? Een antwoord is gelegen in het databankenrecht, een bijzonder recht van intellectuele eigendom.

Databanken

Voordat de kwestie wordt besproken eerst een korte opfriscursus databankenrecht. Het databankrecht, dat sinds 1999 is geregeld in een afzonderlijke Databankwet (Dw), verleent de producent van een databank bescherming tegen het zonder toestemming ‘opvragen’ en ‘hergebruiken’ van ‘substantiële’ delen van de databank.

Het recht ontstaat van rechtswege door het maken van de databank (artikel 2 Dw). De wet omschrijft een databank als een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend zijn. Hieronder vallen vrijwel alle soorten verzamelingen van literaire, artistieke, muzikale of andersoortige werken of welk ander materiaal dan ook, zoals tekst, geluid, beeld, cijfers, feiten en gegevens.

Een belangrijke voorwaarde is dat bescherming alleen verkregen kan worden als een substantiële op de databank gerichte investering is gedaan. De bescherming is in de tijd begrenst en bedraagt – kort gezegd – vijftien jaar na het scheppen daarvan (artikel 6 Dw).

De rechthebbende heeft het uitsluitende recht om toestemming te verlenen voor het gebruik van een “in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van de databank”(art. 2 lid 1 Dw). Het gebruik van niet-substantiële delen wordt niet beschermd, tenzij dat gebruik in strijd is met de normale exploitatie van de databank of onrechtmatige schade toebrengt aan de belangen van de producent.

Een databankenrecht is, tot slot, vatbaar voor afzonderlijk beslag en executie door schuldeisers van de producent, c.q. de eigenaar daarvan. Een schuldenaar staat immers wettelijk gezien in voor zijn schulden met zijn hele vermogen, intellectuele eigendomsrechten incluis.

De kwestie

Het Financieel Dagblad (d.d. 2 oktober jl.) berichtte al uitgebreid over de achtergronden van de kwestie. De krant zet neer dat sprake is van een geschil over de verschuldigdheid van achterstallige vergoedingen tussen Bercan Günel en Ciska Tuls, partners van Woman Capital, een bekende naam in de arbeidsbemiddeling voor vrouwen in de top van bedrijfsleven. Juridisch gesproken is sprake van een vordering van ‘headhunter’ Tuls op de vennootschap Woman Capital B.V., waarvan de aandelen in handen zijn van Bercan. De uitkomst is dat Woman Capital wordt veroordeeld tot betaling van meer dan EUR 50.000,-. Helaas echter – aldus nog steeds het Financieel Dagblad – heeft Woman Capital haar activiteiten al twee jaar gestaakt aangezien die niet rendabel bleken. Woman Capital zou verder een negatief eigen vermogen hebben opgebouwd van meer dan EUR 250.000,-. Er lijkt – kortom – sprake van een claim die onverhaalbaar lijkt.

Verhaal op goodwill?

Tegelijk is duidelijk dat er waarde besloten ligt in de klantenkring en het adressenboekje van Woman Capital. Precies daarin zit immers het verdienvermogen van een arbeidsbemiddelingsbureau. Bij bedrijfsovernames wordt voor dit verdienpotentieel, de goodwill, apart betaald. Is het dan niet mogelijk die goodwill apart te beslaan en te executeren? Nee, niet volgens de heersende rechtspraak. Zo leert het hof Leeuwarden (ECLI:NL:GHARN:2011:BU8232):

” ‘goodwill’ (is) niet voor beslag of pandrecht vatbaar. Daaraan doet niet af dat goodwill bij de overdracht van een onderneming dikwijls een afzonderlijk kenbare en op geld gewaarde post is en vaak is vermeld op de balans van een onderneming. Goodwill is juridisch gezien een samenstel van rechten en verplichtingen dat zich als geheel niet voor overdracht leent. Zij kan onder meer omvatten de verwachte rentabiliteit van een onderneming, het recht op een cliëntenportefeuille of de verplichting van de verkoper na te laten de koper concurrentie aan te doen. Zij is slechts als economische grootheid verbonden aan een onderneming.”

De goodwill is als zodanig niet vatbaar voor beslag omdat het als economische grootheid ‘vastzit’ aan een onderneming. Wel kan een schuldeiser proberen via de omweg van faillissement de goodwill van zijn schuldenaar te gelde maken. De curator zal immers de onderneming deels of geheel willen verkopen (doorstart). In de meeste gevallen zal de opbrengst echter geheel in de zakken van de curator, de bank en de preferente schuldeisers vloeien.

Verhaal op de kaartenbak: het executiegeschil

De schuldeiser van Woman Capital heeft toch een list bedacht. Dit blijkt bij lezing van het vonnis van de voorzieningenrechter (Vzr Rb Amsterdam 22 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:75010).

De deurwaarder is met de gerechtelijke veroordeling tot betaling van Woman Capital in de hand overgegaan tot inbeslagname van een databestand bestaande

“uit informatie van circa 10.000 zogenaamde topvrouwen uit het bedrijfsleven verdeeld over circa 6.000 organisaties. De informatie bestaat uit onder meer namen, adressen, telefoonnummers, huidige functie, eerdere functies, specialisaties, expertises, cv’s, inkomensgegevens, en een aantal categorieën zoals: interessant/niet interessant, topvrouw, High Potential, ondernemer en concurrentie.”

Het gaat om een beslag dat zich laat vergelijken met een bewijsbeslag op tot bewijs dienende elektronische bestanden. Een duidelijk verschil is echter dat dit beslag tot doel heeft om de bestanden, en zo het databankenrecht, uiteindelijk aan de hoogste bieder te verkopen. De bestanden zijn tijdens het beslag niet toegankelijk en bevinden zich bij de door de deurwaarder aangestelde bewaarder, die daarvoor ook al de toegangsapplicatie beheerde voor Woman Capitol. Van ongeveer veertig vrouwen wordt vervolgens een gelijkluidend bezwaar ontvangen tegen de gang van zaken, als volgt:

“In de krant las ik dat er sprake is van een verkoop van de database van Woman Capital. Mochten er gegevens over en van mij in enige database van Woman Capital zijn opgenomen dan wil ik niet dat Woman Capital deze gegevens aan derden verstrekt, om niet of anderszins.

Kunt u mij de ontvangst van deze email bevestigen en bevestigen dat aan mijn verzoek wordt voldaan?”

In reactie daarop heeft de deurwaarder in de veilingvoorwaarden opgenomen dat alleen organisaties die aantoonbaar in dezelfde branche als Woman Capital opereren een bod mogen uitbrengen tijdens de executieverkoop, met uitsluiting van andere partijen zoals “sensatiebladen” en “roddeljournalistiek”.

Daarnaast heeft hij voor de zekerheid zijn werkwijze voorgelegd aan de voorzieningenrechter voornoemd in een zogeheten deurwaarderskortgeding. Dit geeft de voorzieningenrechter de kans om te beslissen over de vraag of de executieverkoop al dan niet kan worden voortgezet.

Dit is het geval nu het belang van de bemiddelaar / schuldeiser zwaarder weegt dan dat van de algemene en niet nader gemotiveerde bezwaren van de 40 vrouwen (die ook niet op de zitting zijn verschenen voor nadere uitleg) en, bovendien, de verkoop alleen kan plaatsvinden aan bedrijven die opereren in dezelfde branche als Woman Capital.

De rechter overweegt dat de gegevens van de personen die zijn opgenomen in het databestand en hun privacy vooralsnog voldoende gewaarborgd zijn aangezien (i) de databank tot de verkoop niet beschikbaar is voor derden, (ii) de partijen die mogen bieden op het databestand gebonden zullen zijn aan dezelfde regelgeving met betrekking tot persoonsgegevens en privacy als Woman Capital en dezelfde discretie in acht dienen te nemen, en (iii) voldoende aannemelijk is dat de koper van het databestand dit voor hetzelfde doel als Woman Capital zal gebruiken.

Hoe verder?

De betrokken vrouwen zullen in deze zaak moeten dulden dat hun gegevens mogelijk in handen komen van een branchegenoot die daarvoor het meeste geld over heeft. Zuur voor vrouwen die een vertrouwensband zullen hebben met de vrouwen achter Woman Capital. Bovendien, de nieuwe eigenaar zal mogelijk gebonden zijn aan wettelijke privacyregels, maar daarmee is niets gezegd over eventuele andere afspraken tussen de vrouwen en Woman Capital gelden. Aannemelijk is dat de eventuele nieuwe eigenaar zich van die afspraken in juridisch opzicht niets hoeft aan te trekken. Dit is niet anders dan bij de executieverkoop van andere (IE) rechten. De vrouwen kunnen voor het niet nakomen van bestaande afspraken alleen aankloppen bij Woman Capital, zodat zij in feite met lege handen staan.

Intussen zijn wel kanttekeningen te plaatsen. Is bijvoorbeeld wel sprake van een databank in de zin van de wet? Kan bijvoorbeeld wel worden gesproken van gegevens die met de nodige investeringen zijn verzameld? De ‘kaartenbak’ kan immers (louter) het resultaat zijn van het bemiddelingswerk. Een voorwaarde voor bescherming is nou juist dat sprake is van substantiële investering in het bijeenbrengen van de gegevens, of de ordening en presentatie daarvan. En, als geen sprake is van een databank, is daarop ook geen beslag mogelijk. Begrijpelijk is echter dat Woman Capital niet snel zal willen aanvoeren dat geen sprake is van een wettelijk databankenrecht.

Wat hier uit te leren?

Het is betrekkelijk eenvoudig om te voorkomen dat gegevens zoals hier aan de orde al te makkelijk door schuldeisers kunnen worden uitgewonnen met alle gevolgen van dien. Woman Capital had haar databankenrecht in handen kunnen geven van bijvoorbeeld haar holding maatschappij, zoals vaak gebeurd met andere rechten van intellectuele eigendom. Andersom, schuldeisers zullen zich in meer gevallen dan tot nog toe gebruikelijk kunnen afvragen of hun schuldenaar beschikt over voor derden (of: de schuldenaar zelf) waardevolle databankrechten.

Dit artikel is geschreven door mr. A.J. Gieske, advocaat Intellectueel Eigendomsrecht bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten Amsterdam.