Kennelijk onredelijk ontslag ten gevolge van valse administratie van arbeidsongeschiktheid van werknemer

Werknemer is op 2 september 2003 in dienst getreden bij werkgever in de functie van vorkheftruckchauffeur. Op 5 september 2008 is hij uitgevallen wegens ziekte nadat bij hem een schildkliercarcinoom was geconstateerd. Vanaf september 2009 heeft hij zijn werkzaamheden deels hervat, vanaf november 2009 volledig.

Werkgever zegt arbeidsovereenkomst op

Werkgever heeft werknemer niet arbeidsgeschikt gemeld, op advies van de bedrijfsarts omdat werknemer niet volledig genezen was. In april 2010 is werknemer weer uitgevallen wegens ziekte; na enkele dagen heeft hij zijn werkzaamheden weer voor halve dagen hervat. Op 26 mei 2010 heeft werknemer zich volledig arbeidsongeschikt gemeld. Nadien heeft hij zijn werkzaamheden niet meer hervat. Werkgever heeft een ontslagvergunning verkregen vanwege twee jaar ziekten en heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 maart 2011.

Geen wedertewerkstelling

Werknemer is een kennelijk onredelijk ontslagprocedure gestart. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. In beroep heeft het hof bepaald dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De schadevergoeding bedroeg 15 maandsalarissen; het loon dat de overeenkomst had voortgeduurd als de arbeidsovereenkomst na de uitval in mei 2010 nog twee jaar had geduurd. De wedertewerkstelling is afgewezen vanwege de IVA-uitkering van werknemer. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in cassatie.

Beoordeling aangevoerde klacht

De advocaat-generaal (Spier) concludeert dat het werknemer niet (voldoende) lukt te onderbouwen dat hij niet arbeidsongeschikt was en in staat was zijn werkzaamheden te hervatten. Het oordeel van het Hof op dit punt is op dat punt niet onbegrijpelijk concludeert de advocaat-generaal. Vervolgens doet de Hoge Raad de zaak af met verwijzing naar artikel 81 lid 1 RO; de aangevoerde klacht kan niet tot cassatie leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Bron: Hoge Raad, 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1685

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 6, 2015.