Collectieve actie: Rechtbank vernietigt opslag Euribor-hypotheek

Op 11 november 2015 heeft de Rechtbank Amsterdam een vonnis gewezen waarin zij overgaat tot vernietiging van bedingen waarin een mogelijkheid tot het verhogen van de opslag op hypotheken is opgenomen.

De feiten waren de volgende.

Euribor-hypotheken

In de periode februari 2005 tot medio 2009 hebben ABN AMRO en Fortis, later onderdeel van ABN AMRO, zogenaamde Euribor-hypotheken aan consumenten aangeboden. Euribor staat voor Euro Interbank Offered Rate en dat is het rentetarief waartegen banken die tot het Euribor-panel behoren, leningen aanbieden aan andere tot dat panel behorende banken. Het 1-maands Euribor tarief is sinds het najaar van 2008 vooral gedaald.

De Euribor-hypotheken werden aan consumenten aangeboden met behulp van standaard-documentatie; een voor akkoord te ondertekenen acceptatiebrief of offerte, waarin wordt verwezen naar toepasselijke algemene voorwaarden. Uit de documentatie blijkt dat ABN AMRO de bovenop de Euribor-rente in rekening gebrachte opslag danwel het rentepercentage mocht wijzigen. Deze bevoegdheid staat opgenomen in diverse verschillende bedingen, hierna genoemd ‘opslagwijzigingsbedingen’.

Vorderingen Stop de Banken en Euribar

De klanten van ABN AMRO met een Euribor-hypotheek werden geconfronteerd met een verhoging van de opslag. Stichting Stop de Banken en Stichting Euribar (hierna: de stichtingen) hebben namens deze klanten diverse vorderingen tegen ABN AMRO ingesteld, variërend van een verklaring voor recht dat ABN AMRO haar zorgplicht tegenover de klanten heeft geschonden tot vernietiging van de opslagwijzigingsbedingen.

Oordeel

Na behandeling van enkele voorvragen, waaronder de vraag of de Rechtbank bevoegd is en of de betreffende stichtingen belang hebben bij hun vorderingen, komt de Rechtbank Amsterdam tot een stellig maar duidelijk oordeel: de opslagwijzigingsbedingen zijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en moeten om die reden vernietigd worden.

Onredelijk bezwarend en oneerlijk beding

De Rechtbank Amsterdam komt tot deze conclusie via een heldere uiteenzetting van de Nederlandsrechtelijke en Europeesrechtelijke kaders. Zij overweegt allereerst dat de opslagwijzigingsbedingen onder de reikwijdte van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) vallen en dat in Nederland het toepasselijke wettelijke kader voor deze toets wordt gevormd door de artikelen 6:231 BW tot en met 6:247 BW, welke artikelen wanneer nodig richtlijnconform moeten worden uitgelegd.

De Rechtbank beziet vervolgens of de opslagwijzigingsbedingen voorkomen op de zwarte en grijze lijst als bedoeld in de artikelen 6:236 en 6:237 BW van bedingen die (vermoedelijk) onredelijk bezwarend zijn. Een beding dat de gebruiker de bevoegdheid geeft tot een prijsverhoging binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst wordt namelijk op grond van artikel 6:236 onder i BW als onredelijk bezwarend aangemerkt, tenzij de wederpartij (de consument) dan bevoegd is om de overeenkomst te ontbinden. Strikt genomen, vervolgt de Rechtbank, is in geen van de opslagwijzigingsbedingen van ABN AMRO een beperking opgenomen wanneer de opslag voor het eerst gewijzigd kan worden. Ook is contractueel niet overeengekomen dat de klant de overeenkomst kan ontbinden in geval van verhoging. Dat betekent volgens de Rechtbank dat niet is voldaan aan de uitzondering in artikel 6:236 onder i BW.
De ABN AMRO stelde dat wel aan de uitzondering was voldaan omdat de klanten contractueel niet kunnen ontbinden, maar wel bevoegd zijn tot opzegging en aflossing van de lening, dan wel omzetting van de lening naar een andere rentevastperiode. De Rechtbank heeft de vraag of opslagwijzigingsbedingen dan toch onredelijk bezwarend zijn, daarop beantwoord aan de hand van de open norm van artikel 6:233 BW en aan de hand van de in Europese rechtspraak ontwikkelde criteria.
Het criterium is dan of er sprake is van een oneerlijk beding in de zin van eerdergenoemde richtlijn. Bij de richtlijn is een bijlage gevoegd, die een indicatieve en niet uitputtende lijst bevat van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In de bijlage worden als oneerlijke bedingen genoemd bedingen die tot doel of gevolg hebben:

“j) de verkoper te machtigen zonder geldige, in de overeenkomst vermelde reden eenzijdig de voorwaarden van de overeenkomst te wijzigen.”

Uitzonderingen richtlijn

Daarop zijn weer een aantal uitzonderingen geformuleerd, waarin staat dat punt j zoals hierboven genoemd, niet in de weg staat aan bedingen ‘waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzeggingstermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van andere contracterende partijen en deze vrij is om de overeenkomst onmiddellijk op te zeggen.’

En verder:
‘De punten (…), j. en … zijn niet van toepassing op:

  • transacties met betrekking tot effecten, financiële instrumenten en andere produkten of diensten waarvan de prijs verband houdt met de fluctuaties van een beurskoers of beursindex dan wel financiële marktkoersen waar de verkoper geen invloed op heeft.

Rechtspraak Hof van Justitie

De Rechtbank stelt verder dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat een beding dat de verkoper eenzijdig de bevoegdheid geeft bepaalde voorwaarden aan te passen, moet voldoen aan de in de richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie. Die eis van transparantie, vervolgt de Rechtbank, is in de richtlijn onder meer tot uitdrukking gebracht in artikel 5, waarin is bepaald dat een verkoper gehouden is om bedingen in een consumentenovereenkomst duidelijk en begrijpelijk te formuleren. Dat blijkt ook uit artikel 4 lid 2 van de richtlijn, waarin ook voor kernbedingen is bepaald dat zij duidelijk en begrijpelijk moeten zijn en ook komt zij volgens de Rechtbank tot uitdrukking in de considerans bij de richtlijn waarin staat dat de consument daadwerkelijk de gelegenheid moet hebben kennis te nemen van alle bedingen van de overeenkomst (HvJ EU 21 maart 2013 (RWE), r.o. 44).

In een recenter arrest van het Hof van Justitie heeft zij nadere duiding gegeven aan de reikwijdte van de verplichting tot transparantie richting de consument door te benadrukken dat het er niet alleen om gaat dat een beding grammaticaal duidelijk is, maar ook dat het de consument in staat stelt de economische gevolgen die daar voor hem uit voortvloeien, te voorzien (HvJ EU 30 april 2014, C-26/13 (Kásler), r.o.v. 69, 71 en 75).
De Rechtbank overweegt dat in de opslagwijzigingsbedingen (behoudens één geval) een ongeclausuleerde mogelijkheid tot wijziging van de opslag is opgenomen, zonder dat de reden genoemd hoeft te worden. Zij herhaalt dat dan sprake is van een oneerlijk beding zoals genoemd in de bijlage bij de richtlijn onder j. behoudens voor zover sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in onderdeel 2 van de bijlage:

‘waarbij de leverancier van financiële diensten zich het recht voorbehoudt de door of aan de consument te betalen rentevoet of het bedrag van alle op de financiële diensten betrekking hebbende lasten bij geldige reden zonder opzeggingstermijn te wijzigen, mits de verkoper verplicht wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis te brengen van andere contracterende partijen en deze vrij is om de overeenkomst onmiddellijk op te zeggen.’

Is aan de eerste uitzonderingsgrond voldaan?

Wat betreft de opzeggingsbevoegdheid van de consument, de eerste uitzonderingsgrond, acht het Hof van Justitie het van fundamenteel belang (HvJ EU 21 maart 2013 (RWE), r.o. 54):

“(…) dat de mogelijkheid voor de consument om de overeenkomst op te zeggen, niet slechts een formeel opzeggingsrecht is, maar ook daadwerkelijk kan worden benut. Dat is niet het geval wanneer de consument, om redenen die verband houden met de wijze van uitoefening van het opzeggingsrecht of met de voorwaarden van de betrokken markt, niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om van leverancier te veranderen of wanneer hij niet naar behoren en tijdig op de hoogte werd gebracht van de op til zijnde wijziging, waardoor hij aldus de mogelijkheid verliest om de berekeningswijze te controleren en in voorkomend geval van leverancier te veranderen. In dit verband moet met name rekening worden gehouden met het gegeven of op de betrokken markt concurrentie heerst, de eventuele kosten die voor de consument verbonden zijn aan opzegging van de overeenkomst, het tijdsverloop tussen mededeling en toepassing van de nieuwe tarieven, de informatie die op het tijdstip van mededeling is verstrekt, en de kosten en de tijd om van leverancier te veranderen.”

De Rechtbank stelt vervolgens vast dat ABN AMRO op basis van de contractstukken niet gehouden is de klant zo spoedig als mogelijk op de hoogte te stellen van een wijziging van de opslag. Ook voorziet de documentatie er niet in dat redenen moeten worden gegeven voor de opslagwijziging.

De Rechtbank constateert dat van een bevoegdheid tot onmiddellijke opzegging geen sprake was, omdat uit de documentatie blijkt dat bij opzegging binnen één maand tot aflossing van de lening moet worden overgegaan en dat administratiekosten verschuldigd zijn. Deze bepalingen staan volgens de Rechtbank in de weg aan het daadwerkelijk kunnen benutten van het recht van opzegging. Aan de eerste uitzonderingsgrond zoals genoemd in onderdeel 2 van de bijlage bij de richtlijn is volgens de Rechtbank dus niet voldaan.

Is aan de tweede uitzonderingsgrond voldaan?

De tweede uitzondering in onderdeel 2 van de bijlage zie op de transacties waarbij de ABN AMRO geen invloed heeft op de prijs door financiële marktkoersen. De Rechtbank stelt vast dat ABN AMRO heeft erkend dat een opslagwijziging niet steeds door externe marktfactoren hoeft te zijn ingegeven. Een deel van de componenten van de kosten wordt door ABN AMRO zelf bepaald. Dat maakt dat ABN AMRO geen beroep kan doen op deze uitzondering zoals genoemd in onderdeel 2 van de bijlage.

De Rechtbank acht bovendien van gewicht dat voor de consumenten op geen enkele manier inzichtelijk was uit welke componenten de opslag is opgebouwd. Ook is niet duidelijk onder welke omstandigheden en volgens welke mechanismen de opslag kan worden gewijzigd. De melding in de documentatie dat het rentepercentage kan worden gewijzigd wanneer “de omstandigheden op de geld- en kapitaalmarkt daartoe aanleiding geven”, vindt de Rechtbank te weinig concreet. Hier ligt willekeur op de loer, zo vervolgt de Rechtbank. Deze bepaling stelt de consument niet in staat op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen te verifiëren die voor hem uit het opslagwijzigingbeding voortvloeien, zoals op grond van het Kásler-arrest vereist is. Naar het oordeel van de Rechtbank voldoen de opslagwijzigingsbedingen niet aan de uit hoofde van de richtlijn gestelde eisen van transparantie.

Gevolg: vernietiging opslagwijzigingsbedingen

De Rechtbank komt tot het oordeel dat de opslagwijzigingsbedingen onredelijk bezwarend zijn. Op grond van artikel 6:233 BW gaat zij over tot vernietiging van deze bedingen.

Het gevolg hiervan is dat ABN AMRO de opslagen ten onrechte in rekening heeft gebracht en aan de klanten zal moeten terugbetalen. Volgens de stichtingen zou het om een totaalbedrag van € 45 miljoen gaan. Het vonnis is alleen nog niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ook is ABN AMRO nog niet veroordeeld om de bedragen te restitueren, omdat een dergelijke vordering niet thuishoort in een collectieve procedure.

ABN AMRO is nu aan zet, zij kan hoger beroep instellen. Of de uitspraak voor ABN AMRO een duwtje in de rug zal zijn om toch met haar klanten tot overeenstemming te komen, zal de toekomst uitwijzen. Collega-banken ING en SNS hebben ook Euribor-hypotheken met vergelijkbare opslagwijzigingsbedingen verkocht. Zij hebben een procedure niet aangedurfd en in 2012 al een regeling met hun klanten getroffen.

Voor vragen over dit artikel of advies op het gebied van financieringen of financiële producten kunt u contact opnemen met Martijn Bonefaas, advocaat Financieel Recht, Insolventie & herstructurering en Partner bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten Hoorn.