Kantonrechter ontbindt arbeidscontract met toekenning van vergoeding na mislukte mediation

Ontbinding op verzoek van werknemer. Beide partijen treft verwijt. Werknemer is degene die het opgeeft. De vergoeding bedraagt c = 0,33 met name vanwege de lange arbeidsrelatie en het goed functioneren van werknemer.

Werknemer is sinds 1992 in dienst als medewerker van werkgeefster, grossier in vee en vlees. Tussen partijen is een conflict ontstaan. Kort voordat werknemer zich in september 2014 ziek meldde hadden partijen twee aanvaringen. Het lukt partijen niet het conflict hanteerbaar te maken en werknemer weigert de passende werkzaamheden te verrichten. Werkgever heeft het loon stopgezet.

Werknemer verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst

Na een nieuw oordeel van de bedrijfsarts gaan partijen in november in mediation. Dat leidt niet tot een oplossing. Op 10 december 2014 oordeelt de bedrijfsarts werknemer volledig arbeidsongeschikt. Daarin komt geen verandering. Werknemer dient een verzoekschrift in en verzoekt een vergoeding van € 73.307,91 bruto. De kantonrechter oordeelt dat zowel werkgever als werknemer te verwijten valt dat de impasse niet tot een behoorlijke oplossing gebracht is. Het is de werknemer die het verzoek indient en daarmee ‘de handdoek in de ring gooit’, terwijl er alle gelegenheid had bestaan voor redelijke afspraken die de arbeidstoekomst van werknemer bij werkgever hadden kunnen bestendigen. Nu hij echter verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, kan de kantonrechter niet anders dan het verzoek inwilligen.

Vergoeding toegekend met correctiefactor C=0,3

Indien een werknemer geen vertrouwen meer heeft in voortzetting van het dienstverband, brengt dit een wijziging in de arbeidsverhouding op die een gewichtige reden vormt. Hoewel de noodzaak tot ontbinding eenzijdig door werknemer gedecreteerd is, acht de kantonrechter het desondanks billijk hem een beperkte vergoeding toe te kennen. Daarbij komt gewicht toe aan de lange duur van het dienstverband en het gegeven dat werknemer altijd goed heeft gefunctioneerd. Ook wordt meegewogen dat de onderneming lange tijd op het gevoel van verantwoordelijkheid van werknemer heeft kunnen steunen en dat vervolgens naar aanleiding van één incident het vertrouwen in hem opgezegd werd. Alles overwegend zal de correctiefactor (C) op ongeveer 1/3 worden gesteld. De vergoeding bedraagt € 23.000,00 bruto.

Bron: Ktr. Maastricht, 23 januari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:586

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 2, 2015.

 * De hier besproken uitspraak is gedaan op basis van het arbeidsrecht dat van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Arbeidsrechtelijke geschillen die de rechter beoordeelt aan de hand van de WWZ zullen een andere uitkomst hebben. Ten gevolge van het overgangsrecht zal er ook na 1 juli 2015 nog jurisprudentie verschijnen gebaseerd op ‘oud’ arbeidsrecht.