Hoge Raad: Staat aansprakelijk voor misgelopen vakantiedagen bij arbeidsongeschiktheid

In een tweetal uitspraken van 18 september 2015 heeft de Hoge Raad beslist dat de Nederlandse Staat aansprakelijk is voor het niet tijdig aanpassen van de Nederlandse vakantiedagenwetgeving aan de Europese Richtlijn. De Staat dient de schade te vergoeden die arbeidsongeschikte werknemers hierdoor hebben geleden.

Oude Nederlandse wetgeving

Op grond van artikel 7:635 lid 4 (oud) Burgerlijk Wetboek dat van kracht was tot 1 januari 2012 verwierf een werknemer die wegens ziekte geen arbeid verrichtte slechts aanspraak op vakantie over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid niet werd verricht. Indien een werknemer derhalve gedurende twee jaar arbeidsongeschikt was vond slechts over een periode van zes maanden opbouw van vakantiedagen plaats.

Europese regelgeving en jurisprudentie

In Richtlijn 2003/88/EG (voorheen Richtlijn 93/104/EG) is onder andere opgenomen dat de lidstaten van de Europese Unie de nodige maatregelen dienen te treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks vakantie met behoud van loon van tenminste vier weken wordt toegekend. In de slotbepalingen van de Richtlijn is opgenomen dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden zodat uiterlijk op 23 november 1996 aan de Richtlijn wordt voldaan.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een uitspraak van 26 juni 2001 (NJ 2002/2, “Bectu arrest”) onder meer overwogen dat het recht op vakantie met behoud van loon van elke werknemer moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de uitdrukkelijk in de Richtlijn zelf opgesomde grenzen. In die kwestie had een lidstaat een nationale regeling vastgesteld die bepaalde dat een werknemer pas recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verwerft wanneer hij gedurende minimaal dertien weken ononderbroken bij dezelfde werkgever is tewerkgesteld. De conclusie van het Hof van Justitie van de Europese Unie luidde dat Richtlijn 93/104/EG zich er tegen verzet dat lidstaten het aan alle werknemers toegekende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon eenzijdig beperken door het ontstaan van dit recht te doen afhangen van een voorwaarde die tot gevolg heeft dat bepaalde werknemers van dit recht worden uitgesloten.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in de zaak Schultz-Hoff (HvJ 20 januari 2009, NJ 2009/252) vervolgens meer specifiek gebogen over de situatie van een zieke werknemer in relatie tot voornoemde Richtlijn. In deze zaak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat blijkt uit de formulering van Richtlijn 2003/88 dat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon wordt toegekend van ten minste vier weken, ongeacht de gezondheidstoestand van de werknemers. De conclusie van het Hof van Justitie van de Europese Unie luidde dat Richtlijn 2003/88 in de weg staat aan nationale bepalingen of gebruiken volgens welke aan het einde van de arbeidsverhouding geen financiële vergoeding wegens niet opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon wordt betaald aan de werknemer die tijdens de gehele referteperiode of een deel daarvan met ziekteverlof is geweest waardoor hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

Huidige Nederlandse wetgeving

Het Schultz-Hoff arrest heeft vervolgens geleid tot aanpassing van de Nederlandse wetgeving over vakantiedagen. Sinds 1 januari 2012 geldt dat een werknemer – ongeacht zijn gezondheidssituatie – over het gehele dienstverband vakantiedagen opbouwt. Voor het opnemen van vakantiedagen geldt een vervaltermijn van zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest om vakantie op te nemen.

Aansprakelijkheid Nederlandse Staat

Op 18 september 2015 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen waarin de Nederlandse Staat aansprakelijk is gesteld voor een onjuiste implementatie van EU-recht (HR 18-09-2015 ECLI:NL:HR:2015:2722 en ECLI:NL:HR:2015:2723). In beide situaties was sprake van een werknemer die was uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. Bij beëindiging van het dienstverband ontvingen deze werknemers van hun werkgever alleen een vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen die waren opgebouwd gedurende de laatste zes maanden van hun arbeidsongeschiktheid. De werknemers stelden zich op het standpunt dat de Nederlandse Staat onrechtmatig tegenover hen heeft gehandeld door artikel 7 van (thans) Richtlijn 2003/88 niet binnen de daarvoor gestelde termijn te implementeren in de Nederlandse wetgeving. Ten gevolge hiervan hebben deze werknemers slechts een vergoeding ontvangen over de niet genoten vakantiedagen die waren opgebouwd gedurende de laatste zes maanden van hun arbeidsongeschiktheid, terwijl zij volgens de EU-regels recht hadden op vier weken vakantieopbouw per jaar, ongeacht hun gezondheidssituatie.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat wetgeving in formele zin moet worden getoetst aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van internationale volkenrechtelijke organisaties. Indien wetgeving in formele zin in strijd is met dergelijke bepalingen dan heeft dat tot gevolg dat het uitvaardigen en handhaven van die wetgeving onrechtmatig is. Dit verplicht de Staat tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, mits uiteraard aan de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is voldaan. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat strijd met een niet-tijdig geïmplementeerde Richtlijn niet tot het gevolg leidt dat nationale wetgeving buiten toepassing moet blijven, maar dat niet-tijdige of onjuiste implementatie van een Richtlijn in strijd komt met de verplichting van de Staat op grond van artikel 4 lid 3 VEU en 288 derde volzin VWEU en om die reden onrechtmatig is.

In het arrest Staat/Van Gelder (HR 9 mei 1986, NJ 1987/252) is beslist dat indien een overheidslichaam een onrechtmatige daad pleegt door een met een hogere regeling strijdig voorschrift uit te vaardigen en op grond van dat voorschrift te handelen, daarmee de schuld (toerekenbaarheid) van het overheidslichaam in beginsel is gegeven. De Hoge Raad overweegt in de onderhavige arresten van 18 september 2015 dat er onvoldoende grond bestaat om deze regel niet toe te passen wanneer wetgeving in formele zin strijdt met een rechtstreeks werkend internationaal recht of met de verplichting tot implementatie van een Europese Richtlijn. Er is volgens de Hoge Raad ook geen grond aanwezig om een uitzondering te maken op het in het arrest Staat/Van Gelder geformuleerde beginsel. De Staat diende immers in ieder geval na het Bectu arrest rekening te houden met de uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan artikel 7 van Richtlijn 93/104 en 2003/88 gaf in het arrest Schultz-Hoff. De onrechtmatige daad wordt dan ook toerekenbaar aan de Staat geacht.

Ten aanzien van de schade die de werknemers hebben geleden geldt dat wanneer de Staat artikel 7 van Richtlijn (thans) 2003/88 tijdig had geïmplementeerd de werknemers de mogelijkheid hadden gehad om de door hun misgelopen vakantiedagen op enig tijdstip op te nemen danwel tegenover hun werkgever aanspraak hadden kunnen maken op vergoeding daarvan, welke mogelijkheid de werknemers op grond van artikel 7:635 lid 4 oud BW niet hadden. De Staat dient derhalve de vakantiedagen te vergoeden die de arbeidsongeschikte werknemers zijn misgelopen doordat de Nederlandse wet voor 1 januari 2012 niet was aangepast aan de Richtlijn.

Bijstand nodig?

Inmiddels hebben al vele werknemers hun vordering ingediend bij het ministerie van Sociale Zaken. Wanneer u voor 1 januari 2012 langer dan zes maanden onafgebroken arbeidsongeschikt bent geweest en overweegt een claim bij de Staat in te dienen voor misgelopen vakantiedagen wegens arbeidsongeschiktheid, dan sta ik u graag bij.

Dit artikel is geschreven door Marjolein Gobes, arbeidsrecht advocaat bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten in Hoorn.