Werknemersverzoek nadat werkgever eerder verzoek heeft ingetrokken leidt tot vergoeding met correctiefactor 1 (neutraal)

Werknemer is sinds 1 juni 2000 in dienst van YFU en is werkzaam als directeur. YFU is een particuliere stichting die ten doel heeft internationale educatieve uitwisseling en internationaal begrip en vriendschap te bevorderen. Na een incident met een werkneemster op 5 februari 2014 is werknemer per 24 februari 2014 op non-actief gesteld. Sindsdien is hij met tussenpozen arbeidsongeschikt geweest. Tot op heden heeft hij zijn werkzaamheden niet hervat.

Kantonrechter oordeelt dat werkgever verwijt treft met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op verzoek van YFU bij beschikking van 30 oktober 2014 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 151.816,56 bruto. YFU heeft het verzoek ingetrokken. Werknemer dient op 3 december 2014 een verzoekschrift in en verzoekt om een vergoeding van C=2. De kantonrechter oordeelt dat ontbinding volgt daar beide partijen het daarover eens zijn. Met betrekking tot de waardering van hetgeen tussen partijen is voorgevallen tot 30 oktober 2014 neemt de kantonrechter de overwegingen en beslissingen van zijn ambtgenoot over.

De kantonrechter overweegt verder dat YFU haar verzoek dan heeft wel ingetrokken, maar dat zij zich daar niet naar gedragen heeft. Uit correspondentie blijkt dat zij is blijven streven naar beëindiging van de arbeidsrelatie, zij het onder andere voorwaarden dan door de kantonrechter aangegeven. Werknemer stelt terecht dat de interne en externe berichtgeving omtrent de afloop van de ontbindingsprocedure onder de maat is. Dat werknemer op zijn beurt geen gesprek met de interim-directeur wilde, omdat deze volgens hem volstrekt ten onrechte “op zijn stoel (was) geplaatst” acht de kantonrechter geen valide reden.

Het werknemersverzoek leidt vervolgens tot een neutrale vergoeding

De kantonrechter verdisconteert de financiële situatie van YFU in beperkte mate in de C factor. Werknemer heeft na de beschikking van 30 oktober 2014 tot de ontbindingsdatum 3,5 maand salaris ontvangen zonder daarvoor werkzaamheden te hebben hoeven verrichten. Op grond hiervan stelt de kantonrechter de ontbindingsvergoeding op C = 1, hetgeen afgerond neerkomt op € 118.000, bruto.

Bron: (Ktr. Utrecht, 28 januari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:386)

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 3, 2015.

* De hier besproken uitspraak is gedaan op basis van het arbeidsrecht dat van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Arbeidsrechtelijke geschillen die de rechter beoordeelt aan de hand van de WWZ zullen een andere uitkomst hebben. Ten gevolge van het overgangsrecht zal er ook na 1 juli 2015 nog jurisprudentie verschijnen gebaseerd op ‘oud’ arbeidsrecht.