Werknemers verzoek bij kantonrechter in verband met verkrijgen van ontslagvergoeding

Werknemer is op 18 maart 1996 bij GF in dienst getreden en is werkzaam als Director Branch Office Benelux, zijn bruto maandloon is € 8.593,75. Op 3 september 2014 is werknemer geïnformeerd dat zijn productieafdeling zal worden gesloten en dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag. GF heeft op 10 november 2014 een ontslagvergunning bij UWV aangevraagd.

Werknemersverzoek bij de kantonrechter

Op 3 december 2014 verzoekt werknemer de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Werknemer wenst de ontslagprocedure bij UWV niet af te wachten; hij heeft een lange opzegtermijn, het is niet zeker of UWV toestemming verleent en er is sprake van een opzegverbod vanwege arbeidsongeschiktheid. GF stelt dat er geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. GF verzoekt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden wegens wijzigingen in de omstandigheden die aan werknemer te wijten zijn, voor zover het dienstverband niet op andere wijze zal eindigen.

Van Hooff Elektra-doctrine niet van toepassing

De kantonrechter stelt dat de Van Hooff Elektra-doctrine niet van toepassing is omdat UWV nog geen toestemming verleende om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het einde van het dienstverband staat derhalve nog niet vast. Werknemer heef niet aannemelijk gemaakt dat er voorafgaand aan het gesprek op 3 september 2014 een verstoorde relatie bestond. De verstoorde arbeidsrelatie is daarna en dus in het zicht van een voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontstaan. De kantonrechter concludeert dat het werknemer enkel te doen is om een hogere beëindigingsvergoeding te verkrijgen.

Het verzoek wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een gegronde reden daartoe. Het tegenverzoek van GF, de voorwaardelijke ontbinding, is niet mogelijk, omdat een dergelijke voorwaarde in strijd is met de ontbindingsprocedure. Artikel 7:685 BW geeft slechts ruimte voor ontbinding op korte termijn. Nu GF in feite de UWV-procedure wil afwachten en uitsluitend ontbinding vraagt indien UWV afwijzend beslist, is van een onmiddellijke noodzaak tot ontbinding kennelijk geen sprake. Het verzoek van GF wordt ook afgewezen.

Bron: (Ktr. Roermond, 11 februari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:1115)

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 3, 2015.

* De hier besproken uitspraak is gedaan op basis van het arbeidsrecht dat van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Arbeidsrechtelijke geschillen die de rechter beoordeelt aan de hand van de WWZ zullen een andere uitkomst hebben. Ten gevolge van het overgangsrecht zal er ook na 1 juli 2015 nog jurisprudentie verschijnen gebaseerd op ‘oud’ arbeidsrecht.