Kennelijk onredelijk ontslag wegens ontslag met een valse reden om ontslagverbod te omzeilen

Werknemer (geboren 1964) is op 1 januari 1986 in dienst getreden bij Icbv als administratief medewerker. Werknemer was met ingang van 24 juni 2010 ziek. Icbv heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd nadat zij van UWV een ontslagvergunning had verkregen wegens het beëindigen van de onderneming.

Kantonrechter acht kennelijk onredelijk ontslag bewezen

De kantonrechter heeft in eerste aanleg de schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en de vergoeding vanwege kennelijk onredelijk ontslag wegens een valse reden toegewezen. Icbv is in beroep gegaan. Het hof is van oordeel dat Icbv bij de ontslagvergunningaanvrage ter onderbouwing van de bedrijfseconomische reden financiële gegevens heeft gepresenteerd die niet juist zijn. De gecorrigeerde cijfers geven geen aanleiding te veronderstellen dat een bedrijfssluiting noodzakelijkerwijs aanstaande was.

Opvallend is verder, dat de (enige) andere werknemer, met wie door Icbv een beëindigingsovereenkomst zou zijn gesloten in augustus 2010, heeft doorgewerkt tot 1 februari 2012. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat niet het voornemen bestond het bedrijf op korte termijn te sluiten.

Opzegverbod bij ziekte omzeild

Icbv heeft het opzegverbod bij ziekte van artikel 7:670 lid 1 BW buitenspel willen zetten door de bedrijfssluiting aan te kondigen in haar ontslagvergunningaanvraag. Ook het hof is van oordeel dat sprake is van opzegging onder opgave van een valse reden. De kantonrechter had overwogen dat de schadevergoeding in overeenstemming moest worden gebracht met de werkelijk door werknemer geleden schade. De kantonrechter heeft deze schade begroot, rekening houdend met de leeftijd van werknemer, de hoogte van zijn loon, zijn arbeidsmarktpositie, de duur van het dienstverband en de aard en de ernst van de tekortkoming.

Hof bekrachtigt schadevergoeding

Het verwijt aan Icbv heeft de kantonrechter als ernstig gekwalificeerd. De kantonrechter heeft gesteld dat de werknemer een andere baan zou kunnen vinden binnen 18 maanden. De kantonrechter de schadevergoeding bepaald op 18/28ste van € 50.000, is afgerond € 32.000. Het hof acht de schadevergoeding juist en voldoende gemotiveerd door de kantonrechter.

Bron: Hof ’s-Hertogenbosch, 13 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:53

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 2, 2015.

* De hier besproken uitspraak is gedaan op basis van het arbeidsrecht dat van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Arbeidsrechtelijke geschillen die de rechter beoordeelt aan de hand van de WWZ zullen een andere uitkomst hebben. Ten gevolge van het overgangsrecht zal er ook na 1 juli 2015 nog jurisprudentie verschijnen gebaseerd op ‘oud’ arbeidsrecht.