Ontbindingsverzoek werknemer tijdens UWV procedure leidt tot een vergoeding

Werknemer is sinds 2002 in dienst bij Do Company als projectmanager. Do Company heeft voor vijf werknemers op bedrijfseconomische gronden ontslag aangevraagd bij UWV. Een ontslagvergunning is nog niet verleend. Werknemer verzoekt ontbinding met toekenning van een vergoeding van € 74.000,– bruto. Do Company heeft volgens werknemer in strijd gehandeld met het beginsel van goed werkgeverschap waardoor de arbeidsverhouding ontbonden moet worden. Do Company stelt dat werknemer heeft nagelaten extra gewichtige reden aan te voeren die nodig zijn voor beëindiging tijdens een UWV-procedure (HR 11 december 2009, Van Hooff Elektra).

Situatie niet gelijk aan Van Hooff Elektra: geen ontslagvergunning

De kantonrechter oordeelt dat deze situatie zich onderscheidt van de situatie in het Van Hooff Elektra-arrest omdat in die procedure de ontslagvergunning reeds was verleend en de werkgever de arbeidsovereenkomst reeds had opgezegd. De criteria van dat arrest lenen zich derhalve niet zomaar voor toepassing op het onderhavige geval. Er is een gespannen verhouding tussen partijen. De oorzaak lijkt te zijn gelegen in de wijze waarop Do Company de reorganisatie heeft vorm gegeven. Het is niet reëel een vruchtbare voortzetting van het dienstverband te verwachten.

Risico reorganisatie ligt bij werkgever

De kantonrechter acht een vergoeding voor werknemer op zijn plaats. Enerzijds speelt hierbij het langdurige en onberispelijke dienstverband van werknemer een rol. Daarnaast valt de reorganisatie in de risicosfeer van Do Company. Dat werknemer het ontbindingsverzoek heeft ingediend maakt dat niet anders. Werknemer kan niet gekwalificeerd worden als “gelukszoeker”. Anderzijds is er weinig ruimte voor een vergoeding gezien de financiële positie van Do Company. De kantonrechter kent een vergoeding toe gelijk aan C-factor 0,7 (€ 43.375,50 bruto).

De kantonrechter realiseert zich dat werknemer hiermee in een financieel gunstigere situatie komt dan zijn collega’s die een beëindigingsovereenkomst met Do Company zijn aangegaan met een vergoeding van C=0,2. Dat is echter het gevolg van de eigen beslissing van die werknemers en daarvan kan werknemer geen verwijt worden gemaakt.

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 1, 2015.

De hier besproken uitspraak is gedaan op basis van het arbeidsrecht dat van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Arbeidsrechtelijke geschillen die de rechter beoordeelt aan de hand van de WWZ zullen een andere uitkomst hebben. Ten gevolge van het overgangsrecht zal er ook na 1 juli 2015 nog jurisprudentie verschijnen gebaseerd op ‘oud’ arbeidsrecht.