Ontslag aan MS-lijdende werkneemster wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is in casu niet kennelijk onredelijk

Werkneemster is sinds maart 2004 in dienst bij Avans in de functie van P&O adviseur. Eind 2005 is bij werkneemster de ziekte Multiple Sclerose (MS) geconstateerd. Eind 2008 raakte werkneemster zwanger. In maart 2009 heeft zij zich ziek gemeld. Met ingang van 25 oktober 2009 is zij ziek door een andere oorzaak dan zwangerschap en bevalling.

Schadevergoeding van € 52.000 afgewezen

Avans heeft met toestemming van UWV de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 november 2011. Werkneemster vordert in appel een schadevergoeding ter hoogte van € 52.000 wegens kennelijk onredelijk ontslag. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van een valse of voorgewende reden. Met betrekking tot het gevolgencriterium oordeelt het hof dat de stellingen en stukken van werkneemster onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen oordelen dat haar blijvende arbeidsongeschiktheid door Avans is veroorzaakt. Hetzelfde geldt voor haar bewering dat Avans op verwijtbare wijze heeft bijgedragen aan haar arbeidsongeschiktheid.

Werkgever kan geen verwijt worden gemaakt

Het hof stelt daarbij voorop dat werkneemster leidt aan een ernstige en objectiveerbare lichamelijke ziekte – MS – waardoor haar arbeidsongeschiktheid kan worden verklaard. Tussen partijen staat vast dat aan Avans geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat deze ziekte zich begin 2005 bij werkneemster heeft geopenbaard. Dat Avans aan werkneemster geen financiële vergoeding heeft aangeboden bij gelegenheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, maakt de opzegging niet kennelijk onredelijk. Het hof merkt op dat Avans werkneemster in de loop der jaren in meerdere opzichten tegemoet gekomen is. Zo heeft Avans werkneemster begin 2006 een vast dienstverband aangeboden terwijl Avans op dat moment wist dat de ziekte MS was geconstateerd. Avans heeft ook in het tweede ziektejaar haar uitkering aangevuld tot 100% van het salaris, hoewel Avans daar niet toe verplicht was. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Bron: hof ’s-Hertogenbosch, 9 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5185

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 1, 2015.

De hier besproken uitspraak is gedaan op basis van het arbeidsrecht dat van kracht was voor de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Arbeidsrechtelijke geschillen die de rechter beoordeelt aan de hand van de WWZ zullen een andere uitkomst hebben. Ten gevolge van het overgangsrecht zal er ook na 1 juli 2015 nog jurisprudentie verschijnen gebaseerd op ‘oud’ arbeidsrecht.