Uitspraak Hoge Raad: Ontbindingsbeschikking houdt rechtskracht en ontbindingsvergoeding is verschuldigd, ondanks overlijden van werknemer vóór einddatum van arbeidsovereenkomst

Werknemer is vanaf juni 1983 in dienst van Domijn. In de loop van 2009 hebben werknemer en Domijn overeenstemming bereikt over beëindiging van het dienstverband per 1 april 2010 met een te betalen beëindigingsvergoeding van € 65.952,– bruto. Partijen hebben een beschikking van de kantonrechter verkregen op 31 augustus 2009 die luidde conform de regeling. Werknemer is op 30 december 2009 overleden.

Beëindigingsvergoeding opeisbaar?

De erfgenamen hebben aanspraak gemaakt op betaling van de ontbindingsvergoeding. Domijn heeft deze aanspraak van de hand gewezen omdat de arbeidsovereenkomst door het overlijden van werknemer van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter heeft de vordering van de erfgenamen toegewezen. Het hof heeft de vorderingen afgewezen.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat indien het hof ervan zou zijn uitgegaan dat de veroordeling tot betaling van de vergoeding is uitgesproken onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst op het moment van de ontbinding nog zou bestaan, respectievelijk niet door een andere oorzaak zou zijn geëindigd, dat oordeel rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk, omdat niet gezegd kan worden dat een dergelijke voorwaarde “rechtens” in de situatie besloten lag en ook niet is overeengekomen.

Hoge raad bekrachtigt vonnis kantonrechter

Vooropgesteld wordt dat aan een ontbindingsbeschikking niet slechts rechtskracht, althans rechtsgevolg toekomt indien de arbeidsovereenkomst op het in de beschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog steeds bestaat. Dan zou aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel rechtskracht kunnen worden ontzegd door in een volgend geding te doen vaststellen dat deze uitspraak geen rechtskracht heeft verkregen of dat de rechtskracht daaraan is ontvallen omdat de grondslag, waarop de uitspraak berustte, is weggevallen. Dat is onverenigbaar met het gesloten stelsel van de in de wet geregelde rechtsmiddelen (vgl. HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2308, NJ 1997/380 en HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312, NJ 2011/220). Het vonnis van de kantonrechter dient te worden bekrachtigd.

Bron: Hoge Raad, 3 oktober 2014, ECLI;NL:HR:2014:2898

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 8, 2014.