Beoordeling van concurrentiebedingen: verschillende toetsingsmaatstaven afhankelijk van de rechtsverhouding

Concurrentiebedingen worden in verschillende rechtsverhoudingen overeengekomen. De bekendste hiervan is het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Maar daarbuiten wordt een concurrentiebeding overeengekomen in koopovereenkomsten, aandeelhoudersovereenkomsten of opdrachtovereenkomsten. Voor de concurrentiebedingen buiten de arbeidsovereenkomst worden echter andere beoordelingsmaatstaven gehanteerd.

In zijn arrest d.d. 27 maart 2015 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. Het hof Arnhem-Leeuwarden¹ had daarvoor de werking van het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst volledig geschorst maar hetzelfde concurrentiebeding in de koopovereenkomst gehandhaafd.

De casus

Tussen partijen was op 23 april 2008 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de assurantieportefeuille voor een koopsom van 1,3 miljoen euro. Op 1 juni 2008 is de assurantieportefeuille aan koper geleverd. Vervolgens is per 31 juli 2008 de verkoper in dienst getreden bij de koper op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar. Zowel in de koopovereenkomst als de arbeidsovereenkomst was een concurrentiebeding opgenomen. Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst luidde als volgt:

Wat het non-concurrentiebeding betreft wordt hier verwezen naar de afspraken en bepalingen welke zijn vastgelegd in de koopovereenkomst van de portefeuille van (naam VOF) waarbij o.a. is vastgelegd dat (verkoper) geen zaken mag doen met relaties van (naam VOF) en koper, zoals die aanwezig zijn op het moment van het eventuele einde van de arbeidsovereenkomst.

Schorsing van concurrentiebedingen gevorderd in kort geding

In kort geding heeft verkoper de schorsing van beide concurrentiebedingen gevorderd en dit verzoek is gehonoreerd. De voorzieningenrechter heeft daarbij dezelfde toetsingscriteria gebruikt ten aanzien van het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst en de koopovereenkomst.

In hoger beroep heeft het hof echter de schorsing van het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst gehandhaafd maar de schorsing van het concurrentiebeding uit de koopovereenkomst vernietigd.

Het hof heeft daarbij geoordeeld dat de vraag naar de werking van het concurrentiebeding uit de koopovereenkomst niet aan de hand van de criteria die gelden voor een arbeidsrelatie moet worden beantwoord.

Beoordeling concurrentiebeding koopovereenkomst

Bij de beoordeling van het concurrentiebeding uit de koopovereenkomst heeft het hof de bedoeling van partijen als uitgangspunt genomen. In de casus werd een assurantieportefeuille verkocht waardoor de koper heeft kunnen aantonen dat hij er vanuit is gegaan dat de verkoper niet meer voor de overgedragen relaties zou mogen werken en bovendien is aannemelijk gemaakt dat de verkoper niet meer de bedoeling had om in de verzekeringsbranche werkzaam te zijn. Hierdoor werd geoordeeld dat het concurrentiebeding een permanent karakter had en de schorsing aldus ongedaan gemaakt moest worden.

Beoordeling concurrentiebeding arbeidsovereenkomst

Het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst werd beoordeeld aan de hand van de criteria van artikel 7:653 BW (het artikel dat gaat over een concurrentiebeding in arbeidsrelaties). In dit kader achtte het hof van belang dat de arbeidsovereenkomst maar zes maanden heeft geduurd, dat sinds de beëindiging ervan ruim vijf jaren zijn verstreken en dat dergelijke bedingen in de regel niet voor een periode van meer dan drie jaren worden aangegaan.

Het arbeidsrechtelijk toetsingskader van het concurrentiebeding is daarmee een geheel andere dan de toetsing van een concurrentiebeding uit andere overeenkomsten. Bij de beoordeling van een concurrentiebeding in andere overeenkomsten staat de partijbedoeling voorop en wordt getoetst aan de redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden.

¹ Hof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2014, AR 2014-0446.