Faillissement VOF betekent niet meer automatisch faillissement vennoten

De Hoge Raad gaat om.

De Hoge Raad komt terug van de regel dat het faillissement van een vennootschap onder firma (VOF) steeds en noodzakelijkerwijs het faillissement van de vennoten tot gevolg heeft.

Oude regel

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1927 geldt in het Nederlandse recht de regel dat het faillissement van een VOF noodzakelijkerwijs ook het faillissement van haar vennoten tot gevolg heeft. Op 22 december 2009 wees de Hoge Raad een arrest in lijn met deze regel. De Procureur-Generaal schrijft in zijn conclusie bij dit arrest dat het bij deze regel niet gaat om een uitgangspunt waarbij de omstandigheden van het geval in ogenschouw moeten worden genomen, maar dat het hier gaat om een harde regel zonder uitzonderingen. Dit ligt ook voor de hand, aldus de Procureur-Generaal, aangezien van een faillissement van een VOF pas sprake kan zijn indien ook is gebleken dat niet alleen de VOF, maar ook ieder die hiervoor hoofdelijk aansprakelijk is (dus de vennoten) in de toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen.

Faillissement VOF niet automatisch faillissement van de afzonderlijke vennoten

Op 6 februari 2015 heeft de Hoge Raad echter een arrest gewezen waarin zij terugkomt van deze hoofdregel. De Hoge Raad beslist dat een faillissement van een VOF niet meer automatisch het faillissement van de afzonderlijke vennoten tot gevolg heeft.

De Hoge Raad legt hieraan ten grondslag:

  • Dat uit het artikel in de Faillissementswet dat bepaalt dat de aangifte tot faillietverklaring van een VOF ook de naam en woonplaats van de vennoten moet inhouden, niet kan worden afgeleid dat het faillissement van de VOF steeds en zonder meer het faillissement van de vennoten meebrengt;
  • Dat een vennoot, in tegenstelling tot de VOF zelf, voldoende (privé)vermogen kan hebben om zowel de schuldeisers van de VOF als zijn privéschuldeisers te voldoen. Ook als deze vennoot bepaalde vorderingen niet voldoet, brengt dat nog niet noodzakelijkerwijs mee dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
  • Nu de VOF een afgescheiden vermogen kent, moeten de vorderingen op de VOF en op de vennoten als afzonderlijke vorderingen worden beschouwd, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald. In verband daarmee is het mogelijk dat een vennoot een aan hem persoonlijk toekomend verweermiddel (bijvoorbeeld een tegenvordering) kan aanvoeren tegen de vordering van de aanvrager van het faillissement of van andere schuldeisers;
  • Dat de schuldsaneringsregeling tot gevolg heeft dat de oude regel niet langer op zijn plaats is, nu vennoten die een verzoek tot toepassing van de schuldsanering (wsnp) hebben ingediend niet zonder meer failliet verklaard dienen te worden indien het faillissement van de VOF wordt uitgesproken;
  • De rechter dient op grond van Europese jurisprudentie ten aanzien van elke schuldenaar afzonderlijk te bepalen of hem internationale bevoegdheid toekomt om een insolventieprocedure te openen. De oude regel is hiermee niet te verenigen, zo overweegt de Hoge Raad, indien de vennootschap in Nederland is gevestigd en de vennoten in een andere lidstaat of andere lidstaten wonen;
  • Het staat op gespannen voet met artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) dat een vennoot in privé failliet wordt verklaard, zonder dat dit ook ten aanzien van deze vennoot afzonderlijk is verzocht en zonder dat is onderzocht of hij ook in privé verkeert in de toestand te hebben opgehouden te betalen.
Gelet hierop is het dus niet noodzakelijk dat het faillissement van de VOF automatisch leidt tot het faillissement van de vennoten, aldus de Hoge Raad.

Faillissement vennoten

Indien een schuldeiser naast het faillissement van de VOF ook het faillissement van de vennoten wil bewerkstelligen, dient de schuldeiser hierom in zijn verzoekschrift expliciet te vragen en dient de rechter ook ten aanzien van ieder van de vennoten afzonderlijk te onderzoeken of zij in de toestand verkeren dat zij hebben opgehouden te betalen.

Whatsapp