Centraal Orgaan Asielzoekers mocht voormalig directeur Albayrak op non-actief stellen, ontslag niet kennelijk onredelijk

In verband met de strafrechtelijke vervolgens van Nurten Albayrak die nu (februari 2015) in de actualiteit is, brengen we de arbeidsrechtelijke zaken over haar vertrek bij het COA in herinnering.

Albayrak is op 1 maart 2001 voor onbepaalde tijd bij het COA in dienst getreden als concerndirecteur P&O. In een eerste procedure staat centraal of het COA dwangsommen heeft verbeurd doordat het in gebreke is gebleven te voldoen aan het arrest van het gerechtshof te Den Haag van 10 januari 2012, waarbij de op non-actiefstelling van Albayrak is opgeheven.

Op non-actief stelling wegens verloren vertrouwen integriteit

Gelet op de getuigenverklaringen en de zich in het dossier bevindende stukken is de rechtbank van oordeel dat het COA is geslaagd in het bewijs dat het COA – kort gezegd – in de periode na het arrest maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012 met recht zijn vertrouwen in de integriteit van Albayrak heeft verloren.

Redenen voor op non-actief stelling

De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat het COA heeft bewezen dat zij op drie meest in het oog springende punten in strijd heeft gehandeld met de eisen van integriteit die mogen worden gesteld aan een algemeen directeur in de publieke dienst:

  • het doen van onware mededelingen aan de minister,
  • het verhullen van privégebruik van de dienstauto,
  • het betrekken van ondergeschikten daarbij.

De rechtbank acht deze feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, maar ook reeds op zichzelf, van zodanig gewicht dat zij de op non-actiefstelling rechtvaardigen. Er volgt een verklaring voor recht dat het COA geen dwangsommen heeft verbeurd.

Kennelijk onredelijk ontslag

In een tweede procedure staat centraal of het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Allereerst wordt beoordeeld of er sprake is van valse redenen in de zin van artikel 7:681 BW. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat indien vast komt te staan dat de verwijten aan het adres van Albayrak aangaande de dienstauto terecht zijn, dit zonder meer een ontslag rechtvaardigt.

Voorbeeldfunctie bestuurder publiek orgaan

De aard van de functie die zij bekleedde, te weten die van bestuurder van een publiek orgaan, brengt met zich dat aan degene die deze (voorbeeld)functie vervult zeer strenge eisen ten aanzien van onder meer integriteit (mogen) worden gesteld. De kantonrechter acht bewezen dat Albayrak in strijd met de waarheid diverse malen heeft verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte.

Voorts acht de kantonrechter ook bewezen dat Albayrak heeft verhuld dat zij de dienstauto voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten (haar chauffeur en haar secretaresse) heeft betrokken. De kantonrechter acht dit dermate verwijtbaar, dat deze omstandigheden zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien, het gegeven ontslag rechtvaardigen. Er is geen sprake van valse redenen.

Ontslag verleend op volstrekt toereikende gronden

Ten aanzien van het gevolgencriterium overweegt de kantonrechter dat het ontslag op volstrekt toereikende gronden verleend is nu Albayrak ernstig nalatig heeft gehandeld. Zij heeft het vertrouwen dat het COA in haar had gesteld onherstelbaar beschaamd. Voorts is voor toekenning van de contractuele vergoeding geen ruimte daar Albayrak in haar handelen dusdanig ernstig tekort is geschoten dat er is voldaan aan de uitzonderingsgrond die bij de contractuele vergoeding is opgenomen, het ontslag mag namelijk niet veroorzaakt zijn door “ernstig verwijtbare handelingen of nalatigheden van de werknemer”.

Geen grond voor toekenning contractuele beëindigingsvergoeding

Zodoende bestaat geen grond voor toekenning van een contractuele beëindigingvergoeding van € 352.253,41. De reden voor het ontslag ligt volledig in de risicosfeer van Albayrak. De kantonrechter wijst alle vorderingen van Albayrak af.

Bronnen: Ktr. Den Haag, 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:12254 en Ktr. Den Haag, 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:12283

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 8, 2014