Ontslag niet kennelijk onredelijk; werknemer betwistte bedrijfseconomische noodzaak niet voldoende en vond snel nieuw werk

Werknemer is per 1 mei 1999 in dienst getreden bij Triple P. Laatstelijk was hij werkzaam als applicatiebeheerder. Als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden is het personeelsbestand van Triple P van 247 werknemers ingekrompen tot 146 werknemers. Triple P heeft in deze reorganisatie ook voor werknemer een ontslagvergunning verkregen en heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2009 opgezegd.

Kennelijk onredelijk ontslag

In eerste aanleg zijn de vorderingen van werknemer uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag afgewezen. Hij heeft hiertegen beroep aangetekend. Het hof overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking genomen moeten worden. Nadien intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht (Hoge Raad 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4804).

Voldoende kansen op passende werkkring elders

Het hof is van oordeel dat Triple P vanwege bedrijfseconomische redenen een zwaarwegend belang had het dienstverband met werknemer te beëindigen. Werknemer heeft deze bedrijfseconomische noodzaak niet (voldoende) gemotiveerd bestreden. Triple P heeft gemotiveerd aangevoerd dat de leeftijd van werknemer geen beletsel is om elders in de ICT-wereld een passende werkkring te vinden en dat werknemer als automatiseerder voldoende kansen heeft op een passende werkkring elders.

Hof bekrachtigt vonnis kantonrechter

Die gemotiveerde verwachting van Triple P is bewaarheid geworden, aangezien werknemer met ingang van 1 januari 2010 in dienst is getreden van een nieuwe werkgever. Werknemer heeft voorts geen inzage verstrekt met betrekking tot zijn inkomenspositie vanaf 1 januari 2010, zodat hij op dat punt zijn stelling – dat de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband voor hem té ernstig zijn in vergelijking met het zwaarwegend belang van Triple P bij deze beëindiging – onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Bron: Uitspraak Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden, 10 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4649

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 6, 2014.