Uitspraak Gerechtshof in arbeidsrechtzaak; Loonvorderingen ook in hoger beroep afgewezen

Loonvorderingen ook in hoger beroep afgewezen; bij werkneemster 1 na ziekmelding vanaf vakantieadres zonder verklaring ex 7:629a BW en bij werkneemster 2 die niet kan aantonen dat een arbeidsovereenkomst tot stand kwam.

Ontslag wegens ongeoorloofde afwezigheid

Werkneemster 1 is in dienst van een tandartsenpraktijk, werkneemster 2 liep er stage. In eerste aanleg zijn hun vorderingen grotendeels afgewezen. Werkneemster 1 bestrijdt dat zij ongeoorloofd afwezig is geweest, zij heeft zich vanaf een vakantieadres ziek gemeld. Werkgever heeft haar op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofde afwezigheid. Zij heeft het ontslag buitengerechtelijk vernietigd en vordert loon.

Ontbreken van verklaring van UWV-deskundige

Het hof overweegt dat voor zover werkneemster 1 zich erop beroept dat zij zich vanaf haar vakantieadres bij werkgever ziek heeft gemeld wegens ‘burn-out verschijnselen’ en dat zij als gevolg van ziekte niet in staat was de overeengekomen arbeid te verrichten, zij heeft nagelaten bij haar vordering een verklaring van een zogenoemde UWV-deskundige over te leggen omtrent haar verhindering om de arbeid te verrichten. Gelet op het bepaalde in artikel 7:629a BW mocht van haar worden verwacht dat zij een zodanige verklaring had overgelegd. Zij heeft geen feiten aangevoerd waaruit volgt dat het overleggen van de bedoelde verklaring van een UWV-deskundige in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd.

Loonvordering

Ook werkneemster 2 vordert loon. Eerder heeft zij van de waarnemer van de praktijk van werkgever het collegegeld voor haar opleiding en een beugel gekregen. Werkgever vordert op zijn beurt, van werkneemster 2, terugbetaling van het collegegeld en betaling van de rekening voor de beugel. Werkneemster 2 stelt dat de waarnemer bevoegd was namens werkgever een arbeidsovereenkomst met haar aan te gaan en dat werkgever de betalingen ten behoeve van het collegegeld aan haar was verschuldigd. Dit is door werkneemster niet voldoende met feiten onderbouwd. Verder is niet vast te stellen, dat zoals werkneemster 2 stelt, zou zijn toegezegd dat zij voor haar (beugel)behandeling niet hoefde te betalen.

Het hof oordeelt dat het vonnis van de kantonrechter in stand blijft; de loonvorderingen van werkneemsters zijn afgewezen, de vorderingen van werkgever zijn toegewezen.

Bron: uitspraak Gerechtshof Amsterdam, 27 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2103

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 6, 2014