Hoge Raad: Beslag op vakantiegeld beperkt

Op 31 oktober 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet mogelijk is om beslag te leggen op het vakantiegeld, indien het maandelijkse inkomen van de schuldenaar onder de beslagvrije voet blijft. Met deze uitspraak is een einde gekomen aan de onduidelijkheid die jarenlang over dit onderwerp heeft bestaan.

Derdenbeslag op uitkering

Door de gemeente is derdenbeslag gelegd op de uitkering van de schuldenaar. Deze uitkering is lager dan de beslagvrije voet, waardoor er gedurende het hele jaar niets op de rekening van de gemeente binnenkomt. Als in mei het vakantiegeld van de schuldenaar wordt gestort, slaat de gemeente haar slag en legt zij beslag op een deel van het vakantiegeld.

De schuldenaar heeft daarop een verklaring voor recht ingesteld dat zijn vakantiegeld onder de beslagvrije voet valt en dient te worden terugbetaald. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. De kantonrechter oordeelt dat het doel van de beslagvrije voet is, dat de schuldenaar minimaal 90% van de bijstandsnorm overhoudt. Aangezien de uitkering van de schuldenaar, inclusief het vakantiegeld, maandelijks onder deze norm blijft, is het vakantiegeld niet voor beslag vatbaar. De kantonrechter geeft als onderbouwing hiervoor dat het jaarlijks uitkeren van het vakantiegeld, er niet toe mag leiden dat de schuldenaar minder ontvangt, dan dat hij zou ontvangen wanneer het vakantiegeld maandelijks zou zijn uitgekeerd.

Cassatie in het belang der wet

Vervolgens is cassatie in het belang der wet ingesteld, hetgeen inhoudt dat de procureur-generaal ervoor kiest de zaak direct door de Hoge Raad te laten beoordelen, ook al kiezen partijen ervoor de zaak niet door te zetten. De Hoge Raad krijgt op die manier de kans krijgt om de zaak te beoordelen en zo eventueel nieuw recht te vormen. (Zie verder over cassatie in het belang der wet hier).

De Hoge Raad overweegt in haar arrest dat de aanspraak op vakantiegeld maandelijks wordt opgebouwd en vervolgens (in de regel) één keer per jaar wordt uitbetaald. Deze jaarlijkse uitkering van het vakantiegeld is volgens de Hoge Raad niet aan te merken als een te late betaling van bedragen die eigenlijk maandelijks verschuldigd waren. In plaats daarvan dient de uitbetaling van het vakantiegeld gelijk te worden gesteld aan 12 nabetalingen die elk moeten worden toegerekend aan het inkomen over een maand. Hieruit volgt dat het beslag op het vakantiegeld ongeldig is indien het inkomen per maand, inclusief 1/12e deel van het vakantiegeld, onder de beslagvrije voet bleef. Hiervan was in het onderhavige geval sprake, hetgeen ertoe leidde dat ook de Hoge Raad tot het oordeel kwam dat het beslag van de gemeente niet geldig was.

Beslag op vakantiegeld naar rato

Voor wat betreft wisselende maandelijkse inkomsten geeft de Hoge Raad aan dat het inkomensbeslag op het vakantiegeld naar rato dient te worden gelegd. Dat wil zeggen dat indien het inkomen van de schuldenaar de ene maand wel boven de beslagvrije voet uitkomt en de andere maand niet, alleen beslag kan worden gelegd voor de maanden dat het inkomen de beslagvrije voet, inclusief 1/12e deel van het vakantiegeld achteraf zou hebben overstegen, en dus niet voor de overige maanden.

Bron: Hoge Raad 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068

Dit artikel is geschreven door de sectie arbeidsrecht van Van Diepen Van der Kroef Advocaten in Alkmaar.