Aansprakelijkheid van bestuurders ten opzichte van schuldeisers; “bestuurders kunnen weer iets rustiger slapen”

Op 5 september 2014 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen over bestuurdersaansprakelijkheid ten opzichte van schuldeisers. In de zogenoemde Tulip Air-zaak ontzenuwt de Hoge Raad de gerezen onduidelijkheid en commotie die is ontstaan naar aanleiding het eerder gewezen Spaanse Villa-arrest. Ten gevolge van het Spaanse Villa-arrest is door een aantal schrijvers de suggestie gewekt dat een bestuurder onder omstandigheden door een schuldeiser persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld op grond van de normale regels van onrechtmatige daad. In de kern samengevat zou volgens deze schrijvers de hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder kunnen worden omzeild, waardoor bestuurders in het vervolg sneller aansprakelijk kunnen worden gesteld. Met deze suggestie maakt de Hoge Raad in het Tulip Air-arrest korte metten. In de zogenaamde RCI-zaak herhaalt de Hoge Raad dezelfde overweging voor bestuurdersaansprakelijkheid jegens crediteuren. Door middel van het wijzen van voornoemde twee arresten op dezelfde dag heeft de Hoge Raad volgens de schrijvers van dit artikel een bewust signaal afgegeven, inhoudende dat de verhoogde drempel van bestuurdersaansprakelijkheid onverkort geldt. In dit artikel zal achtereenvolgens het Tulip Air- en het RCI-arrest worden besproken, waarbij voorafgaand stil wordt gestaan bij bestuurdersaansprakelijkheid in het algemeen.

Ernstig verwijt

Ondernemers moeten risico’s kunnen nemen. Bestuurders nemen beslissingen en vertegenwoordigen een vennootschap die als rechtspersoon eigen rechten en verplichtingen heeft. In hoedanigheid van hun functie moeten zij vaak moeilijke afwegingen maken en snel kunnen handelen. Hierdoor behoren bestuurders in zekere mate de ruimte te krijgen om fouten te maken. De wetgever heeft dit onderkend door in wetsartikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een inspanningsplicht voor de bestuurder op te nemen. Dit komt er kort gezegd op neer dat een bestuurder niet wordt afgerekend op het resultaat, maar op de geleverde inspanning die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze van hem mag worden verlangd. De Hoge Raad heeft in 1997 (Van de Ven-arrest) over de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de vennootschap geoordeeld dat een bestuurder pas in privé aansprakelijk is voor de onbehoorlijke taakvervulling van de hem opgedragen taak, indien hem een “ernstig verwijt” kan worden gemaakt. Dit arrest uit 1997, waarin de bestuurstaak door de Hoge Raad is geobjectiveerd, is nog steeds relevant. Deze objectivering houdt in dat aan de bestuurder de eis wordt gesteld dat hij beschikt over het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult.

Aansprakelijkheid jegens de schuldeiser

Het Van de Ven-arrest ziet op interne aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de vennootschap. Een bestuurder kan echter onder bijzondere omstandigheden ook succesvol door een derde (zoals een schuldeiser) aansprakelijk worden gehouden op grond van onrechtmatige daad. Deze vorm aansprakelijkheid wordt externe aansprakelijkheid genoemd. De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld dat ook voor deze vorm van aansprakelijkheid de hoge drempel geldt. Een schuldeiser moet dus voor het succesvol in persoon aansprakelijk stellen van een bestuurder van de vennootschap stellen en bewijzen dat de bestuurder “ernstig verwijtbaar” heeft gehandeld. Wanneer een bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft, kan volgens de Hoge Raad ernstig verwijtbaar handelen en daarmee aansprakelijkheid worden aangenomen. Van belang daarbij is dat de bestuurder tijdens het aangaan van de verbintenis wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Deze laatste norm wordt aangeduid als de zogenoemde Beklamel-norm.

Opschudding naar aanleiding van het Spaanse Villa-arrest

Ondanks de vaste lijn in de rechtspraak is er naar aanleiding van het Spaanse Villa-arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, commotie ontstaan over het uitgangspunt dat de vennootschap in beginsel aansprakelijk is voor de schade en daarnaast onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van aansprakelijkheid van de bestuurder in persoon. De Hoge Raad heeft in deze zaak – waarin de aankoop van een illegaal gebouwde Spaanse villa ter discussie stond – de betrokkene, die zowel voor zichzelf en als bestuurder handelde, aansprakelijk gehouden op grond van de normale regels van onrechtmatige daad. Door een ongelukkig uitgevallen overweging van de Hoge Raad was een aantal rechtsgeleerden van mening dat de Hoge Raad in dit arrest de hoge drempel voor de bestuurdersaansprakelijkheid had verlaten. De Hoge Raad zou volgens sommigen een nieuwe afzonderlijke categorie van verruimde bestuurdersaansprakelijkheid hebben gecreëerd¹. Indien de veronderstelling van deze rechtsgeleerden juist zou zijn, zou dit grote nadelige consequenties voor bestuurders hebben. Immers, de bestuurder zou dan als gevolg van het Spaanse Villa-arrest onder omstandigheden door een schuldeiser rechtstreeks aansprakelijk gesteld kunnen worden op grond van een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm.

¹M.J.G.C. Raaijmakers, Ars Aequi, februari 2013; P.D. Olden, Ondernemingsrecht 2013, 1; Verstijlen NJB 2013, 551, afl. 11.

Rust is wedergekeerd door het Tulip Air-arrest (HR 5 september 2014, RvdW 2014, 1014)

Ruim anderhalf jaar later heeft de Hoge Raad de opschudding, die hij volgens sommigen zelf heeft veroorzaakt, in de kiem gesmoord. In het Tulip Air-arrest heeft de Hoge Raad korte metten gemaakt met een de zogenaamde nieuwe aansprakelijkheidsnorm. De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming of onrechtmatige daad. Onder bijzondere omstandigheden is ook ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is volgens de Hoge Raad vereist dat de bestuurder ter zake van de betreffende benadeling een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ten eerste wordt deze hoge drempel volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd doordat een schuldeiser overeenkomsten aangaat met de vennootschap zelf en niet met de bestuurder. Ten tweede is het maatschappelijk onwenselijk dat bestuurders hun handelen in overwegende mate door defensieve overwegingen laten bepalen. De Hoge Raad is dan ook van oordeel dat indien een bestuurder handelt in hoedanigheid van zijn functie, de vraag of hij wel of niet persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die een schuldeiser lijdt, steeds dient te worden beoordeeld aan de hand van de hoge drempel van bestuurdersaansprakelijkheid. Vervolgens komt de Hoge Raad in dit arrest expliciet terug op het Spaanse Villa-arrest en vermeldt hij dat de Spaanse Villa kwestie niet zag op het handelen van de betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap, maar in zijn functie van een deskundig bemiddelaar (dienstverlener). De betrokkene had derhalve uitsluitend als deskundig bemiddelaar (en niet als bestuurder) in strijd gehandeld met de op hem van toepassing zijnde zorgvuldigheidsnormen. Daardoor golden hier enkel de normale regels van het onrechtmatige daadsrecht en niet het verhoogde toetsingskader.

RCI–arrest (HR 5 september 2014, RvdW 2014, 1016)

De tweede zaak die de Hoge Raad op dezelfde dag heeft gewezen betreft het RCI-arrest. Dit arrest gaat ook over de externe aansprakelijkheid van een bestuurder, maar betreft een volledig andere situatie en een andere rechtsvraag. In de RCI-zaak was de feitelijke situatie – kort gezegd – als volgt. In 1999 heeft de bestuurder namens groep van vennootschappen (“VRG”) aan de ABN Amro Bank ten behoeve van een geldlening een eerste pandrecht verstrekt op bestaande en toekomstige goederen van VRG. Vervolgens heeft de bestuurder namens VRG in 2005 ten behoeve van een financiering van RCI Financial Services B.V. (“RCI”) wederom een pandrecht op goederen verstrekt aan RCI. In de overeenkomsten met RCI is – in strijd met de waarheid – opgenomen dat er geen rechten van derden op de te verpanden goederen zijn gevestigd. Op grond van deze verklaring verkeerde RCI als schuldeiser in de veronderstelling dat zij haar pandrecht met voorrang op eventuele andere pandhouders zou kunnen uitwinnen indien VRG de door RCI verstrekte financiering niet zou kunnen terugbetalen. Niets bleek minder waar. Nadat de ABN Amro Bank het krediet had opgezegd, heeft zij haar pandrechten uitgewonnen. Vervolgens heeft RCI de kredietovereenkomst opgezegd en ook haar pandrechten uitgewonnen op dezelfde goederen. Het door haar verkregen tweede pandrecht heeft ertoe geleid dat RCI slechts circa 15 % van haar openstaande vordering uitgekeerd heeft gekregen, dit nadat met de opbrengst van de beslagen goederen de vordering van ABN Amro bank voor het grootste deel was voldaan.
RCI heeft vervolgens de bestuurder in privé aansprakelijk gesteld. RCI heeft gesteld dat de bestuurder ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, omdat hij RCI zou hebben misleid over haar verhaalspositie. RCI koppelt het ernstig verwijtbaar handelen van de bestuurder aan de Beklamel-norm. Volgens RCI zou de bestuurder jegens haar ernstig verwijtbaar hebben gehandeld door namens VRG verplichtingen tot verlening van eerste pandrechten aan te gaan, terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat VRG daaraan niet of niet binnen een redelijke termijn aan zouden kunnen voldoen, alsmede geen verhaal zou bieden voor de voorzienbare schade die RCI dientengevolge zou lijden. De bestuurder voert verweer en stelt zich van geen kwaad bewust te zijn geweest. De bestuurder dacht immers dat de door ABN Amro bank verkregen pandrechten geen betrekking zouden hebben op toekomstige zaken.

Opmerkelijk is dat de Hoge Raad in de RCI-zaak dezelfde bewoordingen kiest als het gelijktijdig gewezen Tulip Air-arrest. Uitgangspunt is volgens de Hoge Raad dat de vennootschap alleen aansprakelijk is voor schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming of onrechtmatige daad. Daarnaast is er onder bijzondere omstandigheden ook ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder, voor zover hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad vervolgt zijn overweging dat het antwoord op de vraag, of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, afhankelijk is van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval die daartoe aanleiding geven. Daarbij haalt de Hoge Raad ook de Beklamel-norm aan. Doorslaggevend is volgens de Hoge Raad of de bestuurder wist dan wel behoorde te begrijpen dat RCI schade zou lijden als gevolg van zijn handelen. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuurder van VRG niet ernstig verwijtbaar jegens RCI heeft gehandeld, omdat op het moment van het vestigen van het (anders dan was overeengekomen) tweede pandrecht voor hem niet voorzienbaar was dat RCI als gevolg daarvan schade zou lijden.

Het oordeel van de Hoge Raad achten wij juist. De bestuurder had niet alleen moeten voorzien dat RCI als gevolg van het verkrijgen van een slechtere zekerheidspositie schade zou lijden, maar ook moeten voorzien dat VRG haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Immers, indien VRG de geldlening volgens de afspraken had terugbetaald had RCI haar zekerheden niet uitgeoefend en geen schade geleden. Hoewel de vennootschap daardoor toerekenbaar tekort is geschoten, wijst de Hoge Raad privéaansprakelijkheid van de bestuurder van de hand. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval is de Hoge Raad van opvatting dat het voor de bestuurder van VRG ten tijde van het verstrekken van het pandrecht niet voorzienbaar was dat RCI schade zou lijden. In het licht van de (geobjectiveerde) eis die aan bestuurders wordt gesteld, achten wij dit oordeel van de Hoge Raad ietwat terughoudend. Conform de geobjectiveerde norm wordt immers aan de bestuurder de eis gesteld dat hij beschikt over het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en deze nauwgezet vervult. Hierdoor kan ons inziens onder bepaalde omstandigheden ook afwijkend worden geoordeeld dat een bestuurder had behoren te begrijpen dat een tweede pandhouder – die ten onrechte in de veronderstelling verkeerde hij een eerste pandrecht had verkregen – achter het net zou vissen indien beide pandhouders hun pandrechten zouden uitoefenen.

Conclusie: verhoogde norm voor bestuurdersaansprakelijkheid onverkort van toepassing

Door op dezelfde dag twee arresten te wijzen die beide gaan over externe bestuurdersaansprakelijkheid en in precies dezelfde woorden te overwegen dat de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid nog steeds onverkort geldt, heeft de Hoge Raad volgens ons een signaal afgegeven dat een verhoogde norm voor bestuurdersaansprakelijkheid onverkort van toepassing blijft. In het Tulip Air-arrest neemt de Hoge Raad iedere mogelijke twijfel weg die is ontstaan naar aanleiding van het Spaanse Villa-arrest. Naar aanleiding van het RCI-arrest komen wij tot de conclusie dat de Hoge Raad terecht terughoudend is met het in persoon aansprakelijk houden van een bestuurder. Bestuurders kunnen weer iets rustiger slapen.

Dit artikel is geschreven door de sectie Ondernemingsrecht & Procesrecht van de Amsterdamse vestiging van Van Diepen Van der Kroef Advocaten.