Geen concreet vooruitzicht op werk; werkgever moet afgesproken beëindigingsvergoeding betalen

Siriz en werknemer hebben met elkaar onderhandeld over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Tijdens of na een gesprek daarover op 22 maart 2011 is aan werknemer gevraagd of hij een concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan. Werknemer heeft geantwoord dat hij sollicitaties had lopen, maar dat hij nog geen concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan.

Weigering betaling beëindigingsvergoeding

Dit is ook zo verwoord in een brief van 23 maart 2011 van de advocaat van werknemer aan werkgever. Op 24 maart 2011 is de beëindigingsovereenkomst door partijen getekend. Bij brief van 31 maart 2011 heeft werknemer aan Siriz bericht dat hij per 1 mei 2011 een baan had. Siriz heeft vervolgens geweigerd de beëindigingsvergoeding te betalen. Op vordering van werknemer heeft de kantonrechter Siriz veroordeeld tot betaling daarvan. Werkgever komt hiertegen in beroep.

Het hof oordeelt dat uit de e-mail d.d. 21 maart 2011 van de toekomstig werkgever aan werknemer, die Siriz als bewijs aandraagt, niet volgt dat werknemer op dat moment al (zo goed als) zeker was van een nieuwe baan. Daaruit blijkt niet meer dan dat werknemer op korte termijn bericht zou kunnen verwachten over of hij de eerste keus was. Het antwoord van werknemer op 22 maart 2011 en 23 maart 2011, dat hij geen concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan en dat hij aan het solliciteren was, is zodoende niet onjuist.

Geen concreet vooruitzicht op werk

Er is dus geen sprake van een dwaling van Siriz die te wijten is aan een inlichting van werknemer. Het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen. Nu van dwaling geen sprake is, is het enkele feit dat Siriz een non-profitorganisatie is terwijl een relatief hoge vergoeding is afgesproken, onvoldoende voor het oordeel dat de vordering tot nakoming van die vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9240

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 2, 2014.