Ontslag niet kennelijk onredelijk; werknemer kan niet bewijzen dat sprake is van een valse of voorgewende reden

Cijfers onderstrepen de bedrijfseconomische noodzaak en het mislukte ontslag op staande voet blijft buiten beschouwing

Ontslag op staande voet hield eerder geen stand

Werknemer is op 6 oktober 1994 bij werkgever in dienst getreden en werkte laatstelijk als kok. In 2003 ontwikkelde hij gezondheidsklachten en vanaf 2005 was hij meermalen ziek. Werkgever heeft werknemer op 20 augustus 2009 op staande voet ontslagen omdat werknemer van 17 tot 20 augustus 2009 niet op zijn werk was verschenen. Dit ontslag op staande voet hield voor de kantonrechter geen stand; werkgever is tot loondoorbetaling aan werknemer veroordeeld.

Kennelijk onredelijk ontslagprocedure

De werkgever heeft per aanvraag d.d. 23 december 2009 aan UWV toestemming gevraagd de arbeidsverhouding met werknemer om bedrijfseconomische redenen op te zeggen. Die toestemming is verleend en vervolgens is rechtsgeldig opgezegd. Werknemer is een kennelijk onredelijk ontslag-procedure gestart. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Werknemer is hiertegen in beroep gegaan. Het hof oordeelt dat uit de jaarstukken het beeld oprijst van een onderneming die een zwakke eigen vermogenspositie kent en die zware lasten heeft. Werknemer heeft aan de hand van de verstrekte cijfers niet aannemelijk kunnen maken, laat staan kunnen bewijzen, dat werkgever de door haar genoemde bedrijfseconomische redenen als een valse of voorgewende reden aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd. Bij deze stand van zaken is een eerder ontslag op staande voet (dat geen stand hield) niet van belang. Het bestreden vonnis blijft in stand.

Bron: Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden, 22 oktober 2013, CLI:NL:GHARL:2013:7898

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van de Utrechtse vestiging van Van Diepen Van der Kroef en het verscheen ook als signalering in het Tijdschrift Arbeidsrecht Praktijk, editie 1, 2014.