Srebrenica en de immuniteit van de Verenigde Naties: Een repliek

Immuniteit van jurisdictie van de Verenigde Naties (VN)

In september jl. verscheen een uitgebreid artikel waarin de auteur zijn visie gaf over de uitspraken tot en met de Hoge Raad in de zaak van de Moeders van Srebrenica tegen de Staat der Nederlanden (‘Staat’) en de Verenigde Naties (‘VN’) (2). De auteur merkt terecht op dat in deze unieke zaak voor het eerst de Nederlandse rechter tot het hoogste niveau zich over immuniteit van jurisdictie van de VN heeft uitgesproken. De auteur komt tot de conclusie dat uiteindelijk de toekenning van immuniteit aan de VN in deze zaak terecht door alle drie instanties is vastgesteld ‘althans vanuit politiek/pragmatisch oogpunt’, ook al plaatst de auteur kanttekeningen bij de redenering van de verschillende instanties en de Hoge Raad. Ondanks de uitgebreide bespreking van de verschillende arresten blijft een aantal juridische maar ook politieke aspecten onderbelicht. Gelet op de beperkte omvang van deze repliek dient voor een uitgebreide inhoudelijke discussie te worden verwezen naar de desbetreffende processtukken zowel in de drie Nederlandse instanties als het verzoekschrift bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) (3). In dat verzoekschrift wordt tot uitgangspunt genomen dat mensenrechten niet behoren te worden gerelativeerd, laat staan op politieke of pragmatische gronden.

Achtergrond van de Srebrenica-genocide en procedure

De stichting Moeders van Srebrenica, die circa 6.000 familieleden van slachtoffers vertegenwoordigt, heeft de VN naast de Staat aangesproken, omdat zij van mening is dat de VN haar verplichtingen uit het mandaat – het beschermen van de bevolking van Srebrenica – niet is nagekomen en daarnaast ook haar verplichtingen uit mensenrechtenverdragen, zoals het voorkomen van genocide, heeft geschonden. In de procedure tot de Hoge Raad is ook weer bevestigd dat de moord op de 8000 tot 10.000 moslims in Srebrenica als genocide is te kwalificeren. Het Internationaal Gerechtshof (‘IGH’) heeft in de zaak Bosnië & Herzegovina tegen Servië & Montenegro van 26 februari 2007 een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de verplichting van staten om genocide te voorkomen. Het IGH heeft duidelijk gemaakt dat het hier niet om een resultaatsverbintenis gaat maar om de verplichting alles in het werk te stellen om een genocide te voorkomen. Het IGH heeft verder geoordeeld dat hierbij irrelevant is of de desbetreffende staat kan bewijzen dat, ook al had hij alle in redelijkheid beschikbare middelen gebruikt, de genocide niet had kunnen worden voorkomen. Het IGH gaat er namelijk vanuit dat, als bepaalde inspanningen worden geleverd, niet uitgesloten is dat daardoor ook andere partijen in actie komen en daardoor uiteindelijk de kans groter is dat genocide wordt voorkomen. In de zaak van de Moeders van Srebrenica is onbetwist dat door de aanwezige Dutchbatters geen weerstand werd geboden tegen de oprukkende Bosnische Serviërs. Verder is uit de uitspraken van officieren van Dutchbat in de procedures bij het Joegoslavië-Tribunaal bekend dat Dutchbat aan de scheiding van mannen en vrouwen in Srebrenica heeft meegewerkt, terwijl voorzienbaar was dat de mannen vermoord zouden worden.

De Moeders van Srebrenica hebben in de procedure altijd erkend dat de immuniteit van de VN in principe gerespecteerd dient te worden, maar dat hier grenzen aan moeten worden verbonden als onder de ogen van de VN zware mensenrechtenschendingen, en in dit geval zelfs genocide, plaatsvinden, terwijl de VN troepen er juist waren om genocide te voorkomen.

Immuniteit van de VN juridisch niet acceptabel

De VN heeft bij monde van haar secretaris-generaal herhaaldelijk verklaard aan de gewoonterechtelijke mensenrechten gebonden te zijn – iets anders zou ook uitermate vreemd zijn. Daarnaast rust deze verplichting op de VN ook uit hoofde van de gewoonterechtelijke status van de mensenrechten. De belangrijke vraag, die de auteur in zijn stuk niet vermeldt, is daarom of de internationale gemeenschap van mening is dat de VN boven de wet staat en door geen enkele rechter kan worden gecontroleerd, ondanks duidelijke aanwijzingen dat de VN haar verplichtingen uit de mensenrechtenverdragen en vooral de Genocideconventie, niet is nagekomen.

De verplichting tot het voorkomen van genocide is een dwingendrechtelijke verplichting en daarmee ius cogens. De immuniteit van de VN heeft een lagere status en geen dwingendrechtelijk karakter. Als de Hoge Raad impliciet bedoelt dat de immuniteit van de VN een dwingendrechtelijk karakter heeft, dan blijft de onbesproken vraag wat het dwingendrechtelijke karakter van de Genocideconventie nog betekent. Vervolgens zou in dit kader de effectieve rechtsbescherming bij schending van de Genocideconventie nog dringender zijn.

Terecht bespreekt de auteur de vraag of de uitspraken van het EHRM inzake Beer & Regan alsmede Waite & Kennedy aan immuniteit van de VN in de weg staan als de VN de rechtzoekende geen effectieve rechtsbescherming biedt. De auteur deelt de mening van de Hoge Raad dat immuniteit van de VN absoluut is voor wat betreft hoofdstuk VII VN-Handvest-aangelegenheden, dat wil zeggen voor zover het betreft de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Hij lijkt ook de mening toegedaan dat effectieve rechtsbescherming van de burger een ‘volledige teloorgang van VN peacekeeping en tevens het falen van het systeem van collectieve veiligheid zou inhouden….’

Blijkbaar is dat ook de reden dat hij de uitkomst van de zaak ‘vanuit politiek-pragmatisch oogpunt’ kan onderschrijven.

Dit is wel een zeer eenzijdige kijk op het probleem. Bedoelt hij dat het acceptabel is dat 6.000 familieleden moeten berusten in het feit dat de VN, ondanks het mandaat en verplichtingen uit het volkenrecht, de slachtoffers niet heeft beschermd? En veel essentiëler: moeten mensenrechten wijken als het de een of andere staatsmacht – of in dit geval: de VN – in politiek-pragmatisch opzicht beter schikt? De mensenrechten zijn in het leven geroepen om bescherming tegen overheden te bieden. De redenering van de auteur is het tegenovergestelde. Naarmate de macht groter wordt en de belangen toenemen, zou de bescherming van het individu wijken. Volgens deze redenering zou niet eens door een onafhankelijke rechter mogen worden getoetst of de VN haar verplichtingen uit het volkenrecht heeft geschonden. Bij deze kwestie speelt de verdere vraag waarom men zo krampachtig aan de absolute macht van de VN vasthoudt. Uit hoofde van section 29 van de Convention on Privileges en Immunities of the United Nations van 13 februari 1946 is de VN verplicht om een alternatieve rechtsgang in te stellen. Waarom heeft de VN in weerwil van deze volkenrechtelijke verplichting geen rechtsgang ingesteld? De Moeders van Srebrenica zoeken de nationale rechter op omdat op VN-niveau iedere rechterlijke toets en effectieve rechtsbescherming ontbreekt. Als de VN in de afgelopen 65 jaar aan haar volkenrechtelijke plicht tot rechtsbescherming had voldaan, was de gang naar de Nederlandse rechter uitgesloten. In Den Haag zou bijvoorbeeld bij het Internationaal Gerechtshof een aparte kamer voor de VN kunnen worden ingesteld zodat ook de VN niet langer boven de wet staat. Dat zou veel beter zijn dan mensenrechten ondergeschikt maken aan politieke doelstellingen. Vergeet niet dat de VN uit meer dan 190 landen bestaat, waarvan de grote meerderheid geen rechtstatelijk karakter heeft.

Dit zijn substantiële en principiële vragen die de Moeders van Srebrenica hebben voorgelegd aan het EHRM. Zij hebben er alle vertrouwen in dat het EHRM een bevredigend inhoudelijk oordeel zal geven.

(1) Axel Hagedorn is advocaat te Amsterdam en treedt op voor de stichting die de circa 6.000 familieleden van de slachtoffers van de genocide vertegenwoordigt in de civiele procedure in Nederland en de procedure bij het EHRM.

(2) Guido den Dekker. ‘Srebrenica en de immuniteit van de Verenigde Naties voor de Nederlandse rechter’, Overheid en Aansprakelijkheid 2012/58 afl. 3, p. 120-133.

(3) De processtukken zijn hier te raadplegen.