Digitaal contracteren – Casus Nederlandse Energie Maatschappij

Uitspraak van 14 januari 2014 van de rechtbank Overijssel (1)

Casus Nederlandse Energie Maatschappij

Een consument sluit via de website van de Nederlandse Energiemaatschappij (hierna: “NEM”) een contract voor de levering van energie. De consument is akkoord gegaan met de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden. De aanmelding is door de NEM per post bevestigd. De NEM stelt zich dan ook op het standpunt een overeenkomst te hebben gesloten voor de levering van energie op het adres van deze consument. De nota’s van de NEM bleven echter onbetaald. De levering van energie wordt vervolgens gestaakt en de NEM heeft een eindafrekening gestuurd waarvan in rechte betaling wordt gevorderd. De consument betwist de vordering en stelt dat er nooit een contract is gesloten voor energielevering.

Totstandkoming overeenkomst

De te beantwoorden rechtsvraag is volgens de rechtbank of er een overeenkomst tussen de consument en de NEM tot stand is gekomen. Volgens de hoofdregel van artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en een aanvaarding daarvan. De rechtbank overweegt dat het voor het tot stand komen van een overeenkomst noodzakelijk is dat de identiteit van de contractspartijen duidelijk moet zijn en dat de NEM (mede) in dat kader een elektronische ontvangstbevestiging had moeten sturen als bedoeld in artikel 6:227c lid 2 BW.

Ontbindingsbevoegdheid volgens Artikel 6:227c BW

De rechtbank heeft de verplichting tot het zenden van een ontvangstbevestiging geplaatst in het licht van de totstandkomingsvraag. Dit is mijns inziens onjuist. Artikel 6:227c lid 2 BW stelt aan de NEM de verplichting om een elektronische bevestiging te sturen indien, zoals in dit geval, een consument zich digitaal aanmeldt voor de levering van energie. Zolang die ontvangstbevestiging niet is verzonden, heeft de contractuele wederpartij van de NEM de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. Deze ontbindingsbevoegdheid impliceert dat er al wel een overeenkomst tot stand is gekomen. Als, zoals de rechtbank lijkt te overwegen, er nog geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen vanwege het vormverzuim dan zou dat de ontbindingsmogelijkheid van de consument zinledig maken. Om een overeenkomst te kunnen ontbinden, moet er immers een overeenkomst bestaan. De rechtbank wijst de vordering van de NEM uiteindelijk af omdat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen vanwege, onder andere, het ontbreken van een (digitale) ontvangstbevestiging.

Ontbinding versus vernietiging

De uiteindelijke uitkomst van dit geschil lijkt mij de juiste. Uit artikel 6:227c lid 2 volgt dat het verzuim om een ontvangstbevestiging te sturen, gesanctioneerd wordt met een ontbindingsbevoegdheid aan de zijde van, in dit geval, de consument. Er is dus wel een overeenkomst tot stand gekomen, maar deze kan door de consument worden ontbonden. Los van het feit dat het ontbindingsvraagstuk in deze procedure niet aan de orde is gekomen, geldt dat een ontbinding geen terugwerkende kracht heeft. Prestaties die voorafgaand aan de ontbinding over en weer zijn verricht, blijven daardoor geldig. In het geval van een ontbinding dienen deze prestaties ongedaan te worden gemaakt. Dergelijke ongedaanmakingsverplichtingen kunnen in de praktijk problemen opleveren. Het zou beter zijn wanneer de consument een vernietigingsbevoegdheid zou toekomen. Een vernietiging heeft namelijk wel terugwerkende kracht.

Artikel 6:227c lid 1 bepaalt dat de NEM bij digitale dienstverlening passende, doeltreffende en toegankelijke middelen ter beschikking moet stellen waarmee de wederpartij (in dit geval de consument) voor de aanvaarding van de overeenkomst van door haar eventueel niet gewilde handelingen op de hoogte kan raken en deze daardoor zonodig kan herstellen. Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het niet naleven van de bovenstaande verplichting, is vernietigbaar. Indien de NEM de bovenstaande verplichting niet is nagekomen, dan wordt vermoed dat de overeenkomst onder invloed daarvan tot stand is gekomen, aldus lid 5 van artikel 6:227c BW. De consument zou zich in zo’n geval op de vernietiging van de overeenkomst kunnen beroepen. Voor partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf geldt deze mogelijkheid niet zonder meer. Artikel 6:227c BW is van regelend recht zodat hiervan bij overeenkomst kan worden afgeweken. Ten aanzien van consumenten is artikel 6:227c van dwingend recht en kan er dus niet van worden afgeweken. De rechtbank heeft in deze zaak uiteindelijk geoordeeld dat er helemaal geen overeenkomst tussen de NEM en de consument tot stand is gekomen. De consument had het aanbod van de NEM nu eenmaal niet aanvaard.

Digitaal contracteren: de beste stuurlui staan aan wal

Deze uitspraak laat zien dat zelfs een professioneel bedrijf als de NEM bij digitale dienstverlening steken kan laten vallen. Mocht u zich ook bij de NEM willen aanmelden, dan zult u nu ongetwijfeld keurig een digitale ontvangstbevestiging toegezonden krijgen. Al doende leert men…

———————————————————————————-

(1) De uitspraak kan integraal worden geraadpleegd op www.rechtspraak.nl, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBOVE:2014:91