Schuldbekentenis van werknemer levert geen bewijs op

Met enige regelmaat komt het voor dat werknemers (in meer of mindere mate) onder druk worden gezet om een verklaring af te leggen, bijvoorbeeld om in te stemmen met ontslag of versobering van de arbeidsvoorwaarden. Vanwege de ondergeschikte positie van de werknemer ten opzichte van de werkgever kan de werknemer onder bepaalde omstandigheden terug komen op een door hem afgelegde verklaring. Zo ook in de hierna volgende zaak.

Feiten

De werkneemster in deze zaak is vanaf 4 maart 2011 tot 26 juli 2011 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest als verkoopster bij werkgever. Zij was in die periode 16 jaar oud.

Op 14 juli 2011 heeft werkneemster een gesprek gehad met de bedrijfsrechercheur en de bedrijfsleider. Werkneemster is toen geconfronteerd met het feit dat zij goederen had verduisterd. Tijdens het gesprek heeft werkneemster de verduistering bekend en heeft zij een schuldbekentenis ondertekend voor een bedrag van € 11.750,-. In de schuldbekentenis staat onder meer:

Werkneemster verklaarde:
Het klopt inderdaad dat ik op bovengenoemde wijze goederen heb meegegeven aan kennissen van mij. Ik denk dat zij in totaal een keer of 8 bij mij zijn langs geweest en ik heb hen zeker 15 tassen met kleding meegegeven waarin ten minste 10 maar ik denk wel meer kledingstukken zaten. Ik heb hen dus tenminste 150 kledingstukken meegegeven. Ik denk dat de kleding een gemiddelde waarde van tenminste 75,- euro per stuk heeft.
Om redenen van formele aard schrijf ik hieronder handmatig het door mij aan werkgever verschuldigde bedrag, goed voor: € 11.750,- euro
€ 11.750,- [handgeschreven] (zegge) elfduizendzevenhonderdvijftig euro [handgeschreven].
Ik ben bereid om het totale schadebedrag aan werkgever terug te betalen middels inhouding van mijn nog te genieten salaris en of vakantie tegoeden.
Mocht dit niet toereikend zijn, dan zal de vordering uit handen worden gegeven aan een incassobureau, dat contact met mij zal opnemen over het treffen van een betalingsregeling. Ik ben bereid het dan nog openstaande bedrag door middel van een terugbetalingsregeling te voldoen.

Werkgever heeft op 20 juli 2011 aangifte gedaan van verduistering. Werkgever heeft op 22 juli 2011 een brief gezonden aan de vader van werkneemster om mede te delen dat werkneemster met ingang van 14 juli 2011 is geschorst. Werkneemster en haar vader worden in die brief verzocht om op gesprek te komen op 26 juli 2011.
Werkneemster, noch haar vader, is verschenen op het gesprek op 26 juli 2011, zodat werkgever werkneemster diezelfde dag per brief op staande voet heeft ontslagen.

Bij brief van 11 augustus 2011 heeft GGN (een incassobureau) een brief gezonden aan de ouders van werkneemster waarin zij bericht dat werkneemster op basis van de door haar ondertekende schuldbekentenis nog een bedrag van € 11.750,- plus rente aan werkgever verschuldigd is. Werkneemster en haar ouders hebben niet gereageerd op deze brief en de daarop volgende sommaties.

Werkneemster is op 7 februari 2012 door de kinderrechter veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren voor verduistering.

Vordering werkgever

Werkgever vordert onder meer een verklaring voor recht dat werkneemster aansprakelijk is voor de door werkgever geleden schade en veroordeling van werkneemster tot betaling van een bedrag ad € 11.750,-, te vermeerderen met rente en kosten.

Verweer werkneemster

Werkneemster betwist dat zij een bedrag van € 11.750,- verschuldigd is. Werkneemster betwist verder de schuldbekentenis. Zij voert aan dat geen sprake was van wilsovereenstemming en zij betwist de juistheid van de inhoud van de schuldbekentenis. Werkneemster voelde zich tijdens het gesprek ernstig onder druk gezet. Werkneemster voert aan dat zij is gedwongen een vooraf opgestelde schuldbekentenis te ondertekenen, die zij niet heeft kunnen doorlezen. Zij voert aan dat zij het pand van werkgever niet mocht verlaten voordat zij zou hebben getekend. Tot slot schat werkneemster de waarde van de verduisterde kledingstukken op € 500,- en stelt dat de schade van werkgever derhalve niet meer kan bedragen dan dit bedrag.

Oordeel kantonrechter

Niet in geschil is dat werkneemster op diverse tijdstippen goederen van werkgever heeft verduisterd. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de vordering van werkgever. Werkgever heeft een beroep gedaan op de dwingende bewijskracht van de schuldbekentenis. Dat beroep op dwingende bewijskracht gaat naar het oordeel van de kantonrechter echter niet op. Ter toelichting wordt het volgende overwogen.

Werkgever heeft onvoldoende onderbouwd dat zij zich er zorgvuldig van heeft vergewist dat de wil van werkneemster daadwerkelijk was gericht op het aangaan van een betalingsverplichting voor een bedrag van € 11.750,-. Dat had werkgever als goed werkgever wel moeten doen. Werkneemster heeft dan ook terecht aangevoerd dat werkgever haar niet aan de door haar ondertekende schuldbekentenis kan houden. Werkgever wist of had moeten begrijpen dat werkneemster door bijzondere omstandigheden bewogen werd tot het ondertekenen van de schuldbekentenis.

De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat werkgever werkneemster niet vooraf heeft gewaarschuwd dat het gesprek op 14 juli 2011 zou gaan plaatsvinden en niet ingelicht over het onderwerp van het gesprek. Dat brengt mee dat werkneemster dus onvoorbereid het gesprek is ingegaan. In het algemeen geldt al dat een werkgever een overwichtpositie heeft ten opzichte van een werknemer. Daarvan was in dit geval in het bijzonder sprake omdat werkneemster minderjarig en onervaren was, en in het gesprek alleen stond tegenover twee volwassen mensen (de bedrijfsrechercheur en de floormanager), die hiërarchisch haar meerderen waren. Bovendien bevond werkneemster zich – weliswaar door eigen toedoen – in het gesprek in een benarde positie omdat zij werd geconfronteerd met het feit dat de door haar gepleegde verduistering was ontdekt.

Werkgever heeft niettemin op ondertekening aangedrongen, terwijl hetgeen zij wist of had moeten begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden. Het is namelijk aannemelijk dat werkneemster in het gesprek met werkgever een voor haar nadelige beslissing heeft genomen, die zij bij een voor een dergelijke beslissing normaal te achten voorbereiding niet zou hebben genomen.

Bovendien heeft de schuldbekentenis verstrekkende gevolgen voor werkneemster. Werkgever wilde immers een schuldbekentenis in de zin van artikel 158 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opstellen waaraan dwingende bewijskracht toekomt. Het had dan ook op de weg van werkgever gelegen werkneemster volledig en juist voor te lichten over de ernstige consequenties van het ondertekenen van deze schuldbekentenis en werkneemster bovendien de gelegenheid te bieden deze consequenties rustig te overdenken en, zo nodig, juridisch advies in te winnen.

De kantonrechter concludeert dan ook dat werkgever werkneemster niet kan houden aan haar beslissing om met het schadebedrag van € 11.750,- akkoord te gaan.

Deze conclusie betekent echter niet dat werkneemster wegkomt met de verduistering. Vaststaat immers dat werkneemster goederen heeft verduisterd en dat werkgever hierdoor schade heeft geleden. De kantonrechter zal derhalve voor recht verklaren dat werkneemster aansprakelijk is voor de schade van werkgever.

Nu de schade van werkgever niet exact is vast te stellen, heeft de kantonrechter de schade begroot op een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met rente en kosten.

Tip van Advocaat Arbeidsrecht

Geef de werknemer voldoende gelegenheid om zich voor te bereiden op gesprekken, zeker wanneer het ‘slecht nieuws gesprekken’ betreft. Hierbij valt te denken aan gesprekken zoals die in de onderhavige zaak of die waarbij de werknemer wordt geconfronteerd met zijn ontslag en het voorstel om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen.

Rechtbank Midden-Nederland 4 november 2013, ECLI 2013:5695

Dit artikel is geschreven door de sectie Arbeidsrecht van Van Diepen Van der Kroef Advocaten en het verscheen ook op HR Praktijk