Persoonlijke aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders wegens schending van een zorgvuldigheidsplicht

De Hoge Raad heeft recent geoordeeld dat indien een bestuurder van een vennootschap naast de vennootschap persoonlijk aansprakelijk wordt gehouden wegens onrechtmatig handelen, het criterium van ‘ernstige verwijtbaarheid’ niet van toepassing is. De uitspraak maakt duidelijk dat bestuurders ook persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden als zij nalaten om klanten of relaties te waarschuwen voor bepaalde risico’s of omstandigheden.

De Hoge Raad heeft in 2006 bepaald dat bestuurders van vennootschappen pas aansprakelijk zijn voor onrechtmatige handelingen van de vennootschap als zij als zij ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Niet duidelijk was of dat ook geldt voor de gevallen waarin bestuurders aansprakelijk zijn voor hun eigen onrechtmatig handelen. Uit de recente uitspraak van De Hoge Raad volgt dat er in die gevallen geen ernstig verwijt nodig is.

De zaak betrof een desastreuze aankoop van onroerend goed in Spanje. Toen de kopers van een half afgebouwde villa te horen kregen dat het pand was afgebroken wegens het ontbreken van een bouwvergunning, stelden zij de Nederlandse intermediair (een BV), die nauw betrokken was geweest bij de aankoop, en de bestuurder daarvan aansprakelijk. In de procedure die volgde kwam vast te staan dat de bestuurder van de intermediair wist dat er wellicht problemen waren met bouwvergunningen voor het bouwproject en dat illegaal gebouwde villa’s afgebroken zouden worden, maar had nagelaten om de kopers daarvoor te waarschuwen. Geoordeeld werd dat zowel de intermediair als de bestuurder zozeer professioneel betrokken waren geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomsten, dat zij de kopers hadden moeten waarschuwen.

De Hoge Raad oordeelt dat de bestuurder niet aansprakelijk wordt gehouden voor een tekortkoming of onrechtmatig handelen van de vennootschap, maar voor een schending van een op hem persoonlijk (rechtstreeks) rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens de kopers van het onroerend goed. Het gaat daarom niet om bestuurdersaansprakelijkheid wegens gebrekkige taakuitoefening, maar om een daarvan losstaande, eigen onrechtmatige daad van de bestuurder die tevens aan de vennootschap kan worden toegerekend. In die situatie is het vereiste van ernstige verwijtbaarheid volgens de Hoge Raad niet van toepassing.

De vraag rijst of dit in theorie inzichtelijke onderscheid in de praktijk toepasbaar is. Afgezien van duidelijke gevallen waarin een bestuurder “zijn boekje te buiten gaat” en persoonlijk aansprakelijk is, zal niet altijd gemakkelijk te beoordelen zijn of een door de bestuurder geschonden norm (enkel) tot de vennootschap of (mede) tot de bestuurder zelf is gericht. Het onderhavige geval illustreert dat: de aan de intermediair verweten gedragingen waren terug te voeren op de aan hem in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de vennootschap toekomende bevoegdheden. Echter, de Hoge Raad oordeelt dat de bestuurder – los van zijn taak als bestuurder van een vennootschap – een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting geschonden heeft jegens de kopers en om die reden aansprakelijk is voor de door hen geleden schade.

Dit artikel werd geschreven door de sectie Insolventie en herstructurering van Van Diepen Van der Kroef Advocaten Amsterdam.