Noot bij HvJ EU 24 november 2011, zaak C-283/10 (Circus Globus).

Noot bij HvJ EU 24 november 2011, zaak C-283/10 (Circus Globus).

Artikel 3 lid 1 van de Auteursrechtrichtlijn betreft uitsluitend de mededeling aan het publiek dat niet aanwezig is op de plaats van oorsprong van de mededeling. Het op- en uitvoeringsrecht is derhalve niet geharmoniseerd met de Auteursrechtrichtlijn.

Dit arrest betreft een bevoegdheidsafbakening. Niet langer onze Hoge Raad, maar het HvJ EU heeft ten aanzien van vele auteursrechtelijke kwesties het laatste woord. Zelfs onderwerpen die niet – uitdrukkelijk – in een richtlijn zijn geregeld, trekt het Hof naar zich toe.[1] Maar er blijken toch grenzen te zijn aan de competentie van het HvJ EU: ten aanzien van het ouderwetse op- en uitvoeringsrecht is de nationale opperrechter nog steeds de hoogste instantie.

Hier ging het om de vraag of het Europese auteursrecht van toepassing is op de situatie waarin een circus bij zijn voorstellingen muziekwerken ten gehore brengt. Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is, daar in overweging 23 bij de Auteursrechtrichtlijn valt te lezen dat aan het recht van mededeling aan het publiek van artikel 3 lid 1 van de richtlijn ‘… een ruime betekenis [moet] worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.’ (curs. KJK) De laatste zin impliceert dat met de richtlijn niet het gehele openbaarmakingsrecht is geharmoniseerd.

Nu de werken tijdens circusvoorstellingen rechtstreeks aan het publiek worden opgevoerd, waarbij het publiek ‘aanwezig is op de plaats van oorsprong van de mededeling’ en er derhalve sprake is van een ‘element van direct fysiek contact’, is het niet aan de Europese rechter om daarover te oordelen, zo schrijft het Hof. Daarbij speelt een rol dat de richtlijn blijkens haar overwegingen is geschreven ter bevordering van de ‘informatiemaatschappij’ – Eurospeak voor internet – en om de door de voortschrijdende techniek gerezen problemen op te lossen. De op- en uitvoering vallen er derhalve niet onder. Het is een weinig verrassende uitkomst. Spoor, Verkade en Visser schreven in 2005 reeds dat de Auteursrechtrichtlijn immateriële openbaarmaking waarbij het publiek aanwezig is, zoals op- en uitvoering in concertzaal en theater, niet bestrijkt.[2]

Uit het arrest valt niet op te maken of het circus eerder opgenomen muziekwerken ten gehore bracht, of dat de muziek live door een band werd gespeeld. Zeker is dat de Auteursrechtrichtlijn niet gaat over live-optredens. Maar wellicht valt bijvoorbeeld het plaatselijk draaien en op die wijze ten gehore brengen van platen/muziekwerken (DJ-en) evenmin onder de richtlijn. Volgens het Hof is het recht van mededelen aan het publiek van de Auteursrechtrichtlijn slechts van toepassing, indien géén sprake is van ‘direct fysiek contact met de persoon die het werk opvoert of uitvoert’.[3] Heeft het laatste betrekking op de muzikant die de op de plaat vastgelegde uitvoering verzorgde of ook op de DJ die de plaat draait? De Europese rechter is reeds gevraagd om zich uit te laten over de kwestie of het ter beschikking stellen van platenspelers in hotelkamers onder de richtlijn een openbaarmaking oplevert, wat volgens A-G Trstenjak het geval is.[4] Het in een publieke locatie of in hotelkamers toegankelijk maken van radio- of televisie-uitzendingen is in ieder geval wel een handeling die valt onder de Auteursrechtrichtlijn.[5]

——————————————————————————–

[1] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 16 juli 2009, zaak C-5/08, AMI 2009, p. 198 (Infopaq).

[2] Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, Kluwer 2005, p. 196, nt. 161.

[3] Vgl. r.o. 201 van HvJ EU 4 oktober 2011, zie infra noot 5.

[4] Zie Conclusie AG HvJ EU van 29 juni 2011 bij zaak C-162/10.

[5] HvJEG 7 december 2006, zaak C‑306/05, AMI 2007, p. 47 (SGAE/Rafael Hoteles); HvJ EU 4 oktober 2011, zaken C-403-08 en 429-08, r.o. 199-203 (Premier League).