Aansprakelijkheid leidinggevende bij intellectuele eigendomsinbreuk

To be “een boefje” or not to be, thats the question”. Degene die optreedt voor een rechtspersoon is niet zelf aansprakelijk als daarbij sprake is van inbreuk op rechten van intellectuele eigendom. Voor bestuurders en/of leidinggevenden kan dit anders zijn. Twee recente uitspraken, over speelgoedhamsters en over camera’s, bieden hierover meer duidelijkheid.

De “hamster”-casus (Rb Den Haag 4 april 2012, Cepia/Sigma, www.ie-forum.nl) betreft een “doorsnee” inbreuk en verdient daarom het meest aandacht. In Dirk van de Broek Supermarkten worden “Zhu Zhu Pet” speelgoedhamsters aangetroffen. Het gaat om klaarblijkelijk inbreukmakende imitaties. De leverancier van de imitaties, Sigma BV, wordt voor de kort gedingrechter gedaagd. Aangezien Sigma BV geen verweer voert, worden de in dit soort zaken gebruikelijke vorderingen bij verstek toegewezen, waaronder: vergoeding van de proceskosten à EUR 13.392,-; een bevel de verkoop te staken en gestaakt te houden; de hamsters terug te roepen; deze af te geven; een rectificatie te verzenden en opgaaf te doen van in-, verkoop en winstcijfers. Dit alles waar mogelijk op straffe van verbeurte van dwangsommen.

De enig bestuurder/aandeelhouder van Sigma BV onderneemt halfhartige pogingen om aan de veroordeling te voldoen. Zo verstrekt deze bestuurder (hierna: “X”) enige gegevens maar laat daarbij aanvankelijk na om te melden dat Sigma BV ook hamsters aan Blokker heeft geleverd. Daarbij meldt X al snel aan de advocaat van de rechthebbenden dat Sigma BV een “kale kip” is:

“De miskoop van de hamsters is voor Sigma B.V. een financieel debacle. De facturen van Sigma zijn onbetaald gebleven en de financiële ramp is zo groot dat het bedrijf al zijn activiteiten heeft gestaakt. (…) Sigma zal ook nooit meer enige handelsactiviteit ondernemen. Ik zal het bedrijf moeten liquideren of een verder slapend bestaan moeten laten lijden. De hele affaire is voor mij een grote financiële strop en het heeft mij het bedrijf gekost. Ik wil er graag een streep onder zetten. Ik hoop dat dit hiermee gedaan is.”

De rechthebbenden besluiten anders. Zij beginnen een bodemprocedure tegen Sigma BV én tegen X. Van beiden vorderen zij vergoeding van schade en (het alsnog nakomen van) de eerder in kort geding opgelegde maatregelen. De rechtbank wijst de vorderingen jegens Sigma BV toe en buigt zich vervolgens uitgebreid over de aansprakelijkheid van X. De gewraakte handelingen van X zijn – volgens de rechtbank – verricht in de hoedanigheid van bestuurder van Sigma, zodat voor de eigen aansprakelijkheid van X meer nodig is.

Dit kan het geval zijn, volgens de rechtbank, als het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de rechthebbenden in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat X daarvan “persoonlijk een ernstig verwijt” kan worden gemaakt. Hiervan zal sprake zijn – begrijpen wij de rechtbank – als X wist of diende te weten dat Sigma BV inbreuk zou plegen én de verplichtingen die dan daaruit voor haar zouden volgen niet zou kunnen nakomen én ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

X had in dit verband simpelweg aangevoerd dat hij niet wist dat de hamsters inbreukmakend waren en dat de slechte financiële positie van Sigma ontstond na het uitblijven van betaling voor de hamsters. Dit verweer was voor de rechtbank, in dit geval, echter voldoende om aansprakelijkheid af te wijzen. De halfhartig uitgevoerde en opvallend onvolledige verstrekking van gegevens wordt X vervolgens niet zwaar genoeg aangerekend, omdat de opzettelijkheid noch schadelijkheid daarvan is komen vast te staan.De rechthebbenden beriepen zich er verder nog op dat – kort gezegd – X zich bedient van verschillende rechtspersonen bij de inbreuk en er mede om die reden een vrees is voor herhaling.

Dit argument is ontleend aan een specifiek in een intellectuele eigendomszaak gegeven aansprakelijkheidsgrond (Hoge Raad 15 februari 2002 (LJN DA6095) “Jack Daniel’s”). In deze zaak ging het, ons inziens, echter meer om de mogelijkheid om “in het belang van een goede rechtsbedeling” aan feitelijk leidinggevenden een verbod op te (kunnen) leggen bij vrees voor herhaling. Wat hier ook van zij, het oordeel van de rechtbank was duidelijk: er waren geen redenen voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijk.

Een duidelijk voorbeeld waarin de bestuurder het wel (veel) te bont heeft gemaakt toont de zaak Canon/X (Rb Den Haag 16 mei 2012, Canon/X). De genoemde X hield zich bezig met grootschalige inbreukmakende parallelimport van fotocamera’s. Om zijn betrokkenheid te verdoezelen – aldus de rechtbank – ging X onder meer zover zich 1) uit te schrijven uit het GBA om zich 2)als bewoner in te schrijven in Kirgizië, 3)handelde hij via meerdere rechtspersonen, 4)telkens bestuurd door weer andere partijen, een en ander met name ook 5)nadat diens handel op vordering van Canon was verboden. De rechtbank constateert dat sprake is van misbruik van rechtspersoonlijkheid en houdt X – onder meer – hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, als feitelijk leidinggevende aan de inbreuk.

De uitkomst van de procedures bevestigt, ons inziens, dat aansprakelijkheid van bestuurders in de “gewone” inbreukzaken niet snel in beeld komt. In het geval van de speelgoedhamsters lijkt dit te betekenen dat de rechthebbenden blijven zitten met onverhaalbare schade en kosten. De hoge horde voor (persoonlijke)aansprakelijkheid betekende in het geval van de camera’s dat de rechthebbenden meerdere procedures en een slepende bodemprocedure hebben moeten voeren om de betrokken X aan te pakken. Een en ander is een duidelijke keerzijde van de voordelen die het principe van rechtspersoonlijkheid maatschappelijk en juridisch oplevert.

Dit artikel is geschreven door Arnout Gieske, advocaat Intellectuele Eigendomsrecht bij Van Diepen Van der Kroef Advocaten.