Voorsprong door techniek?

Met enige regelmaat doen wij in deze rubriek verslag van de verschillende beschermingsmogelijkheden die een onderneming ter beschikking staan waar het gaat om de bescherming van het uiterlijk van producten met een gebruiksfunctie. Dit uiterlijk wordt vaak beschermd via een beroep op het auteurs- en/of modelrecht en onrechtmatige daad (“slaafse nabootsing”).

Omdat de vorm van dergelijke producten echter veelal voor een deel samenhangt met technisch en functionele vereisten die aan het product worden gesteld, is het altijd lastig te voorspellen of een dergelijk “technisch” product daadwerkelijk beschermd wordt door het auteurs en/of modelrecht.

In 2009 schreven wij al eens over een dergelijk (technisch) product (JutD 2009-130), namelijk een lamp van het bedrijf BLOOM in de vorm van de klassieke terracotta bloempot, uitgevoerd in een groot formaat, gemaakt van transparante kunststof, met interne verlichting, waarop inbreuk zou worden gemaakt door een derde.

De rechtbank Den Haag oordeelde op 21 oktober 2009 dat geen sprake was van inbreuk op het auteurs- noch modelrecht, onder meer omdat, de zuiver functionele en technische maatregelen, zoals een dubbele bodem met geïntegreerde verlichting, de maker (te)weinig ruimte geeft voor eigen keuzes bij de vormgeving om voor bescherming in aanmerking te komen. In reconventie oordeelde de rechtbank zelfs dat het model niet nieuw was en aldus dat de modelregistratie nietig was en diende te worden doorgehaald. Wanneer het Hof Den Haag zich op 13 december 2011 in appel over de zaak uitlaat, blijkt ook een heel ander oordeel mogelijk. Het oordeelt dat de BLOOM bloempot wél in aanmerking komt voor auteurs- en modelrechtelijke bescherming; er is –auteursrechtelijk- ruimte voor creatieve keuzes, terwijl –modelrechtelijk- het model nieuw is en eigen karakter heeft. Dit laatste was voor BLOOM nog van belang om de vernietiging van het model ongedaan te maken. Een vergelijkbare zaak waar rechtbank en hof het ook niet eens blijken over de mate van bescherming van een gebruiksvoorwerp, betreft de zaak Esschert Design versus S&S Import en Export B.V. Voor zover hier van belang ging het daarin om de vraag of sprake was van auteursrechtinbreuk op de “Fancy Flames” vuurkorf van Esschert.

De voorzieningenrechter te Groningen wees de inbreukvordering op 24 september 2010 af. Het hof Leeuwarden oordeelde op 10 januari jl. tegenovergesteld.

De voorzieningenrechter overwoog dat Esschert’s Fancy Flames vuurkorf geen auteursrechtelijke bescherming toekwam omdat de “kenmerkende vormingselementen van de vuurkorven in overwegende mate dwingend voortvloeien uit de technische vereisten die aan vuurkorven worden gesteld”. Daarmee doelde de rechter op de zwarte kleur en de wanden voorzien van ventilatiegaten, die eigen zijn vuurkorven.

Het hof overwoog echter dat de vuurkorf voldoende oorspronkelijk was, aangezien de “vierhoekige vorm en de in de zijwanden aangebrachte vierkante uitsparingen getuigen van creatieve keuzes” die het ontwerp een eigen karakter verleent.

Opmerkelijk is nog dat het hof overweegt dat “het auteursrecht binnen de Europese Unie is geharmoniseerd”. Dit verklaart waarom Hof voor de beoordeling van de vraag of sprake is van auteursrechtelijke bescherming maar liefst drie recente uitspraken van het Hof van Justitie EU tot uitgangspunt neemt.

Het nog op 30 mei 2008 door de Hoge Raad in de zaak Endstra geformuleerde standaard criterium van eigen bodem, namelijk dat sprake moet zijn van “eigen oorspronkelijk karakter & persoonlijk stempel van de maker” noemt het hof, in tegenstelling tot de voorzieningenrechter in het geheel niet.

Hierbij past de opmerking dat het auteursrecht, anders dan het merken- en modellenrecht, niet in breed overkoepelende Europese regelgeving is vastgelegd, ook niet voor wat betreft de vraag wanneer een werk in aanmerking komt voor bescherming. Het Hof van Justitie is echter onlangs actief invulling gaan geven aan tal van auteursrechtelijke begrippen, en de besproken uitspraak bewijst dat dit aan Nederlandse rechters niet is ontgaan.

Tegelijk geldt dat de drie door het hof aangehaalde uitspraken Europese uitspraken niet verplichten tot een heel andere beoordeling dan die volgens het “oude” Endstra-criterium.

Vermoedelijk is het anders uitvallende oordeel eerder voor een belangrijk deel te danken aan de presentatie van de feiten aan de betrokken rechters, bijvoorbeeld ten aanzien de al op de markt beschikbare modellen. Daarnaast heeft Esschert mogelijk beter voor het voetlicht weten te krijgen dat aan producten met een gebruiksfunctie geen strengere juridische eisen mogen worden gesteld dan aan andere werken.

Resumerend. De beoordeling van de reikwijdte van bescherming van het uiterlijk van gebruiksvoorwerpen bevat veel ruimte voor afwijkende conclusies. Het blijft daarmee een kwestie waarin een goede presentatie van de feiten de doorslag kan geven. Zeker als de uitspraak in eerste aanleg getuigt van “lange klappen, snel thuis” valt hoger beroep te overwegen.