Begrenzing van de verzekeringsplicht van de werkgever voor ongevallen van de werknemer

De Hoge Raad heeft in twee recente uitspraken de grenzen bepaald van de verzekeringsverplichting van de werkgever voor ongevallen die werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden overkomen. Hiermee lijkt een einde gekomen aan de discussies die zijn ontstaan na eerdere uitspraken van de Hoge Raad over dit onderwerp.

In enkele eerdere arresten was door de Hoge Raad uitgemaakt dat werkgevers verplicht zijn te zorgen voor een behoorlijke verzekering tegen schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer, indien zij (a) als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval, dan wel indien zij (b) als fietser of voetganger schade lijden als gevolg van een ongeval waarbij één of meer voertuigen zijn betrokken, of (c) als fietser schade lijden als gevolg van een eenzijdig fietsongeval. Als de werkgever voor zulke ongevallen geen verzekering heeft afgesloten, dan is hij aansprakelijk voor de schade die de werknemer lijdt door het mislopen van de schadevergoeding welke op grond van een behoorlijke verzekering zou zijn uitgekeerd. Die uitspraken riepen de vraag op of de werkgever ook verplicht was om een verzekering af te sluiten voor andere situaties dan in het wegverkeer, waarin de werknemer schade kan lijden tijdens de uitoefening van zijn werk.

In twee op 11 november 2011 gewezen arresten kwam die vraag aan de orde. Eén van die zaken betrof een postbode die was uitgegleden op het trottoir. De andere zaak betrof een socio-therapeut die tijdens haar werk in een TBS-instelling door een TBS-patiënt meerdere malen op het hoofd was geslagen. In beide gevallen had de werknemer letselschade ondervonden van het ongeval. Zij claimden vergoeding van die schade en stelden dat hun werkgever daarvoor een verzekering had moeten afsluiten. De Hoge Raad oordeelde in beide zaken dat er geen verplichting bestond voor de werkgever om voor dergelijke ongevallen een verzekering af te sluiten.

De verzekeringsverplichting van de werkgever moet volgens de Hoge Raad tot de hiervoor onder a t/m c genoemde situaties beperkt blijven. De verzekeringsverplichting betreft een uitzondering op de hoofdregel dat de werkgever slechts voor arbeidsongevallen aansprakelijk is, indien hij is tekort geschoten in zijn zorgplicht ter voorkoming van ongevallen. De Hoge Raad geeft aan dat het de taak van de wetgever is – en niet de taak van de rechter – om te bepalen of werknemers een verdergaande, algemene bescherming geboden moet worden tegen het risico van ongevallen in verband met hun werkzaamheden.

De Hoge Raad erkent dat de afbakening een arbitrair karakter heeft, maar rechtvaardigt de getrokken lijn in het arrest van de gevallen postbezorger met de motivering dat struikelen of uitglijden naar zijn aard niet een bijzonder, aan de risico’s van het wegverkeer verbonden risico is, zodat in het algemeen geen goede grond bestaat voor een verdergaande bescherming van de werknemer dan bij struikelen of uitglijden op de arbeidsplaats zelf. De mettertijd gegroeide verzekerbaarheid van het risico van verkeersongevallen tegen betaalbare premies heeft bovendien geen betrekking op het risico van struikelen of uitglijden.

Overigens oordeelt de Hoge Raad in het arrest van de geslagen socio-therapeut dat de werkgever niet heeft bewezen alles te hebben gedaan wat redelijkerwijs nodig was om de schade te voorkomen. In het laatste geval bestaat dus geen aansprakelijkheid omdat een bijzondere verzekeringsplicht door de werkgever zou zijn geschonden (de uitzondering), maar mogelijk wel omdat de werkgever niet heeft bewezen aan zijn zorgplicht te hebben voldaan (de hoofdregel).