Sportbonden: wees zorgvuldig bij het opleggen van schorsingen aan leden!

Op 20 april 2011 stond ik als advocaat de hoofdtrainer van voetbalclub V.V. Hillegom – een club uitkomend in de 3e klasse van het amateurvoetbal – bij, in een kort geding procedure welke diende voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht. De procedure werd namens de trainer aangespannen tegen de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB), nadat hij ook in de beroepprocedure door de Commissie van Beroep van het District West I van de KNVB werd geschorst voor een periode van vier maanden (vanaf 24 februari tot en met 24 juli 2011). Voorts werd er door de Tuchtcommissie van de KNVB nog een aansluitende straf opgelegd voor een periode van één jaar (vanaf 25 juli 2011 tot en met 25 juli 2012).

De schorsing van 24 februari tot en met 24 juli 2011 was door de KNVB aan de trainer opgelegd, omdat zij van oordeel was dat de trainer, in strijd met een aan hem op 15 december 2010 door de Tuchtcommissie opgelegde schorsing (NOOT 1), gedurende deze schorsing toch wedstrijden als trainer op de bank zou hebben gezeten. Vanwege deze vermeende overtreding van de trainer had ook V.V. Hillegom – de vereniging die dit volgens de KNVB had toegestaan – een puntenaftrek gekregen van vijf punten, alsmede een geldboete van € 350 en een voorwaardelijke uitsluiting uit de competitie met een proefperiode van één jaar.

De trainer stelde dat hij van de op 15 december 2010 aan hem opgelegde straf nimmer kennis had kunnen nemen nu deze brief van de KNVB hem nooit had bereikt. In het kort geding vorderde de trainer dan ook opheffing van de aan hem opgelegde schorsingen, zulks vooruitlopend op een uitspraak in een eventueel op te starten bodemprocedure.

Bij kort geding vonnis van 22 april 2011 hief de voorzieningenrechter de schorsing tot en met 24 juli 2011 met onmiddellijke ingang op. De schorsing van 25 juli 2011 tot en met 25 juli 2012 die werd opgelegd door de Tuchtcommissie van de KNVB, dient nog te worden getoetst door de Commissie van Beroep van de KNVB, zodat deze vooralsnog niet werd opgeheven.

De uitkomsten van het kort geding
I. De burgerrechter mag beslissingen van tuchtorganen van sportbonden – procedureel gezien – volledig (en dus niet slechts marginaal !) toetsen.

De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis een belangrijke overweging gemaakt. Deze houdt verband met de mogelijkheden die een burgerrechter heeft bij de beoordeling van een tuchtrechtelijke beslissing van een orgaan van een sportbond. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader het volgende:

“Inderdaad is bij de beoordeling van tuchtrechtelijke beslissingen als het onderhavige in het algemeen de door de civiele rechter te beantwoorden vraag – slechts – of de tuchtrechterlijke organisatie van de KNVB in redelijkheid tot de oplegging van de straf heeft kunnen besluiten en of de KNVB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze ook daadwerkelijk ten uitvoer dient te worden gelegd. Een dergelijke terughoudende toetsing is evenwel in het algemeen slechts dan aangewezen, indien de tegen de tuchtuitspraak gerichte grieven betrekking hebben op de inhoudelijke aspecten van de zaak, daaronder onder meer de strafmaat. De beoordeling daarvan is in beginsel aan het tuchtorgaan voorbehouden. In een geval als het onderhavige, waarin de kritiek zich – voor zover hier van belang – richt op een procedureel en daarmee typisch juridisch aspect, hoeft de overheidsrechter zich niet op eenzelfde manier tot een marginale toetsing te beperken. Dan past een volle(re) toetsing.

Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in dit geval in het geding is het algemene aanvaarde rechtsbeginsel dat iemand voor de overtreding van een verbod eerst verantwoordelijk kan worden gesteld indien hij voorafgaand aan de hem verweten gedraging van het verbod heeft kunnen kennisnemen. Dit beginsel geldt in tucht- evenzeer als in strafzaken,….”

De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat indien een uitspraak van (een tuchtorgaan van) een sportbond in procedurele zin onjuistheden vertoont, de overheidsrechter deze uitspraak op dat punt in volle omvang – en dus niet marginaal – mag toetsen.

II. Een sportbond kan niet de wettelijk verankerde ontvangsttheorie negeren
In het verlengde van de voorgaande overweging heeft de voorzieningenrechter vervolgens geoordeeld dat het standpunt van de KNVB, inhoudende dat de beslissing van 15 december 2010 de trainer wél zou hebben bereikt nu de KNVB zelf dit aannemelijk achtte, niet is komen vast te staan. De enkele verzending van de brief aan de trainer had volgens de voorzieningenrechter niet tot de gevolgtrekking mogen leiden dat de brief hem vervolgens ook heeft bereikt. Naar algemeen geldend Nederlands recht komt een onvolkomenheid in de postbezorging voor rekening en risico van de verzender, in dit geval dus voor rekening en risico van de KNVB.

De schorsing van de trainer, maar ook de daarmee samenhangende straf voor V.V. Hillegom, werden vervolgens opgeheven.

Conclusie
Voor sportbonden is het derhalve zaak om:
1. Bij het opleggen van straffen in overeenstemming met de eigen bonds-/tuchtreglementen, maar ook in overeenstemming met de wet, tot dergelijke besluiten te komen, en;

2. Er voor zorg te dragen dat de eventueel opgelegde straf op deugdelijke wijze aan de betrokkene kenbaar wordt gemaakt. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een verzending per aangetekende post of een verzending per koerier.

NOOT 1:
De schorsing die op 15 december 2010 zou zijn opgelegd aan de trainer, was een schorsing voor de duur van vijf wedstrijden. Deze hield verband met vermeende aanmerkingen door de trainer op de scheidsrechter. De trainer was het (ook) met deze schorsing oneens. Het beroepschrift dat hij na de veel latere kennisname van de brief d.d. 15 december 2010 alsnog instelde tegen deze straf werd door de KNVB niet-ontvankelijk verklaard vanwege de termijnoverschrijding.