Burgerrechter heft een door een sportbond opgelegde schorsing vanwege dopinggebruik voorlopig op.

Op 15 februari 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in een kort geding procedure, een door de Nederlandse Rugbybond aan één van haar leden opgelegde schorsing vanwege ‘dopinggebruik’, voorlopig opgeheven. Het is voor het eerst in Nederland dat een burgerrechter een door een sportbond opgelegde dopingsanctie opheft. De kort geding procedure werd door de rugbyspeler aangespannen tegen de bond, nu de tuchtcommissie van de bond deze schorsing aan hem had opgelegd. Met de uitspraak van de voorzieningenrechter is gebleken dat sporters zich in bepaalde gevallen met succes kunnen wenden tot ‘de burgerrechter’ om een door een (tuchtcommissie van een) sportbond genomen besluit alsnog ongedaan te maken. Wat speelde er in deze zaak en wat zijn de meest opmerkelijke uitkomsten van de uitspraak?

Een jonge talentvolle rugbyspeler – Job Wierenga – wordt na een wedstrijd in de hoogste klasse in Nederland gecontroleerd op doping. Hierbij wordt in zijn lichaam methylhexanamine aangetroffen, een stof die vergelijkbaar is met cafeïne, een zogenaamde opwekker. De stof wordt veelal gebruikt in voedingssupplementen en is in Nederland een volkomen legale stof.

De speler vermoedt dan ook dat hij de stof via een door hem gebruikt voedingssupplement heeft binnengekregen. Op het etiket van dit betreffende voedingssupplement, hetgeen de sporter voor gebruik heeft geverifieerd met de dopinglijst, wordt de stof niet vermeld. Het is echter – ook bij de Dopingautoriteit – een feit van algemene bekendheid dat, ondanks het ontbreken van de vermelding van de stof op de etikettering van veel voedingssupplementen, deze stof wél vaak in voedingssupplementen aanwezig is.

De stof staat bij de Dopingautoriteit pas sinds 1 januari 2010 vermeld op de dopinglijst van stoffen die, nadat deze bij een sporter worden aangetroffen, standaard tot een schorsing van twee jaar leiden. Vanaf 1 januari 2011 is de stof echter, mede vanwege de problematiek ten aanzien van de voedingssupplementen, weer van de dopinglijst geschrapt en verplaatst naar de afdeling ‘specifieke stoffen’ zodat er vanaf die datum weer – net als voorafgaande aan 1 januari 2010 – een lagere sanctie kan/zal worden opgelegd indien de stof wordt aangetroffen bij een sporter. Het strenge regime is voor deze stof derhalve alleen in 2010 van toepassing geweest.

Op 30 juni 2010 oordeelt de tuchtcommissie van de bond dat – overeenkomstig de regelgeving van de Dopingautoriteit – de standaardsanctie van twee jaar schorsing wordt opgelegd. De tuchtcommissie merkt in haar eindoordeel op dat de speler er in haar optiek niet in is geslaagd aan te tonen dat er geen sprake is van aanmerkelijke schuld en nalatigheid aan zijn zijde. Wierenga had, om dat aan te tonen, volgens het ATC op grond van het dopingreglement allereerst moeten bewijzen hoe de stof in zijn lichaam terecht was gekomen. Daartoe liet Wierenga de door hem gebruikte voedingssupplementen testen. Helaas voor Wierenga werd in de onderzochte capsule de stof niet aangetroffen. Zodoende kon Wierenga dus niet bewijzen dat de stof op die manier in zijn lichaam terecht was gekomen, alhoewel ook de Dopingautoriteit heeft erkend dat het zeer waarschijnlijk is dat de stof middels een voedingssupplement in het lichaam terecht is gekomen. Aangezien de wijze van terechtkomen van een stof in het lichaam van een sporter volgens het dopingreglement de eerste vereiste is om het ontbreken van aanmerkelijke schuld en/of nalatigheid te bewijzen, slaagde Wierenga niet in dat bewijs.

Derhalve wordt niet ten gunste van de sporter van de standaardsanctie afgeweken. De tuchtcommissie geeft in haar beslissing nog aan dat hiertegen beroep mogelijk is bij het hoogste internationale sporttribunaal, het CAS.

Aangezien de speler als amateursporter en student financieel niet in staat is om de kostbare procedure via het CAS te voeren, besluit hij om via de burgerrechter te trachten om de aan hem opgelegde schorsing – allereerst voorlopig middels een kort geding – op te heffen, met als grondslagen dat zijn recht op een eerlijke verdediging niet is eerbiedigd en dat de straf, mede gezien de in zijn optiek wel degelijk aangetoonde afwezigheid van schuld, disproportioneel is.

De voorzieningenrechter volgt de speler voor het grootste gedeelte in zijn standpunten en heft de schorsing voorlopig op, mede gezien het spoedeisende belang van de speler om niet verder te worden geschaad in de ontwikkeling van zijn carrière.

Wat zijn de belangrijkste uitkomsten van de uitspraak van de voorzieningenrechter te Amsterdam ?

1. Sportbonden dienen algemeen geldende rechtsbeginselen te eerbiedigen.
Een eerste belangrijke overweging van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam is geweest dat een sportbond niet uitsluitend op grond van de gesloten lidmaatschapsovereenkomst tussen een sporter en de sportbond haar (doping)reglementen dwingend aan de sporter kan opleggen en uitsluitend op grond van die reglementen haar besluiten kan rechtvaardigen. De sportbond – een vereniging en dus een rechtspersoon in de zin van het Burgerlijk Wetboek – dient daarbij namelijk wel dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen te eerbiedigen.

Ook een besluit van een orgaan van een sportbond kan derhalve – alhoewel in overeenstemming met de (doping)reglementen van die betreffende sportbond – op grond van artikel 2:8 jo. 2:15 van het Burgerlijk Wetboek vernietigbaar zijn, omdat het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Bij deze onaanvaardbaarheid valt te denken aan het niet in acht nemen van algemeen aanvaarde rechtsbeginselen, zoals het recht op het voeren van een verdediging (artikel 6 EVRM) en het vereiste dat een straf in evenredigheid moet staan met de geconstateerde overtreding.

Indien een door een sportbond genomen beslissing niet redelijk en billijk is, kan deze dus in bepaalde gevallen op grond van dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen, ondanks overeenstemming met de reglementen van de sportbond zelf, door een rechtbank worden vernietigd.

2. Het CAS is niet altijd een reële beroepsmogelijkheid voor een sporter
Een tweede belangrijke overweging van de voorzieningenrechter is geweest dat de mogelijkheid van het instellen van beroep bij het hoogste internationale sporttribunaal CAS voor een (amateur)sporter, althans in ieder geval een sporter met beperkte financiële mogelijkheden, niet als een reële beroepsmogelijkheid kan worden gezien.

Hiermee laat de voorzieningenrechter dus duidelijk blijken van oordeel te zijn dat voor bepaalde sporters – in specifieke gevallen – de enige reële weg om een beslissing van een sportbond aan te vechten de burgerrechter is. Ook in België is dit inmiddels een aantal maal met succes gebeurd.

Voor bepaalde sporters is het CAS derhalve niet de (enige) beroepsmogelijkheid om een besluit van een sportbond aan te vechten.

3. De standaardsanctie van twee jaar schorsing in dopingzaken kan in specifieke gevallen disproportioneel voor een sporter worden geacht.
De laatste belangrijke overweging van de voorzieningenrechter houdt in dat de standaardsanctie van twee jaar in dopingzaken in specifieke gevallen disproportioneel kan worden geacht en op die grond in strijd is met de in artikel 2.8 en artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek genormeerde maatstaf dat besluiten van rechtspersonen – in dit geval sportbonden – redelijk en billijk dienen te zijn.

Hierbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat de standaardsanctie van twee jaar, die in dopingzaken wordt opgelegd zonder dat de overige omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen, en waar meer in het bijzonder de mate van verwijtbaarheid niet wordt getoetst, niet overeenkomt met het in het strafrecht algemeen aanvaarde beginsel van straf naar de mate van schuld.

Conclusie
Uit deze zaak kan derhalve worden afgeleid dat een (amateur)sporter in Nederland die het niet eens is met een (schorsings)besluit van een sportbond, en die in beginsel onderworpen is aan de reglementen en de beroepsmogelijkheden van die betreffende sportbond, zich in bepaalde gevallen toch met succes kan wenden tot de burgerrechter.