Uitleg wijziging pensioenovereenkomst aan de hand van Haviltex-formule

De Hoge Raad oordeelde op 23 april 2010 (JAR 2010/127) over de uitleg van een pensioenafspraak tussen werkgever en werknemer. Aan de orde is de vraag of het hof de Haviltexmaatstaf juist heeft gehanteerd door te oordelen dat werknemer er in de gegeven omstandigheden van mocht uitgaan dat werkgever een onvoorwaardelijke in plaats van een voorwaardelijke jaarlijkse indexering van de pensioenaanspraken heeft willen toezeggen.

Feiten
Bij Halliburton is sinds 1 januari 1974 een collectieve pensioenregeling van kracht. Werknemer is met ingang van 1 oktober 1985 in dienst getreden bij Halliburton en gaan deelnemen aan de pensioenregeling. Halliburton heeft besloten haar pensioenregeling te wijzigen, omdat deze onder meer niet voorzag in indexatie van de pensioenaanspraken van gepensioneerden en ex-werknemers. In februari 1994 heeft Halliburton drie presentaties doen verzorgen over het nieuwe pensioenreglement, waarbij werknemer niet aanwezig was, hetgeen ook niet verplicht was.

Halliburton stelt sheets van de presentaties aan werknemer te hebben toegezonden, maar kan dat niet bewijzen en werknemer ontkent de sheets te hebben ontvangen. Bij brief van 9 juni 1994 heeft Halliburton aan werknemer medegedeeld dat in de toekomst de pensioenrechten van degenen met wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd en van hen die reeds pensioengerechtigd zijn, jaarlijks worden aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De brief maakt niet uitdrukkelijk melding van een voorwaarde, die moet zijn vervuld wil indexering plaatsvinden. In de brief is voorts vermeld dat de financiering van de indexering plaatsvindt uit de extra renteopbrengsten die de pensioenverzekeraar aan Halliburton uitkeert. Onderaan de brief is vermeld dat werknemer een bijgevoegd formulier kan terugzenden indien hij niet akkoord is met de wijziging. Uit het genoemde formulier volgt dat volgens de nieuwe regeling de pensioenrechten per 1 januari 1994 geïndexeerd worden. Daarbij is geen voorbehoud gemaakt. Werknemer heeft het genoemde formulier niet teruggestuurd.

In januari 1995 heeft Halliburton haar werknemers een Arbeidsvoorwaardenregeling gestuurd, waarin verwezen wordt naar het pensioenreglement van Halliburton. In juli 1995 heeft Halliburton aan de werknemers die deelnamen aan de nieuwe pensioenregeling een pensioenbrochure uitgereikt, waarin is vermeld dat indexering uitsluitend plaats voor zover overrente door de verzekeraar beschikbaar wordt gesteld. Het nieuwe pensioenreglement is in augustus 1996 aan de werknemers uitgereikt. Daarin is onder meer opgenomen dat de maximale beschikbare middelen voor de hele groep rechthebbenden, de overrente is die over het afgelopen kalenderjaar over de reserve van deze groep is gegenereerd. Werknemer heeft op deze uitgereikte stukken niet gereageerd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 1 mei 2000 geëindigd. In 2005 heeft werknemer de indexering bij Halliburton aan de orde gesteld.

Procedure
Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe pensioenregeling voorziet in een onvoorwaardelijk recht op indexering van pensioenrechten voor gewezen deelnemers. Halliburton stelt daarentegen dat het gaat om een voorwaardelijke aanspraak, waarbij de jaarlijkse indexering afhankelijk is van extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan Halliburton uitkeert.

Het hof heeft werknemer in het gelijk gesteld. Daarbij heeft het hof overwogen dat op grond van de Haviltex-formule partijen in 1994 tot overeenstemming zijn gekomen over de pensioenregeling. De nadien gestelde nadere voorwaarden dienden uitdrukkelijk door werknemer te worden aanvaard, hetgeen niet heeft plaatsgevonden. Tegen dit oordeel keert Halliburton zich in cassatie. Volgens Halliburton heeft het hof op onjuiste wijze de Haviltex-formule toegepast.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het stond het hof vrij bij zijn uitleg van hetgeen tussen partijen op het punt van de indexering van het pensioen zijn overeengekomen allereerst te onderzoeken welke betekenis moet worden gehecht aan de inhoud van de brief van 9 juni 1994 met bijlage en het daarin neergelegde aanbod, dat door stilzwijgende aanvaarding door werknemer heeft geleid tot totstandkoming van de gewijzigde pensioenregeling, en aan de eerder in 1994 gehouden presentaties over de nieuwe pensioenregeling. De Hoge Raad bekrachtigt het oordeel van het hof, dat in de door het hof geschetste omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat in de brief niet uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een voorwaarde, werknemer aan de inhoud van de brief redelijkerwijze de betekenis van een onvoorwaardelijke indexering heeft mogen toekennen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de zinsnede in de brief dat de financiering van de indexering plaatsvindt uit de extra renteopbrengsten die de pensioenverzekeraar aan Halliburton uitkeert en heeft begrijpelijk gemotiveerd dat werknemer daaraan niet de betekenis van een voorwaardelijk recht op indexering behoefde toe te kennen die daarmee volgens Halliburton was beoogd.

Het hof heeft voorts onderkend dat Halliburton zich ook op andere omstandigheden dan de voormelde brief heeft beroepen ter onderbouwing van haar standpunt dat partijen een voorwaardelijke indexering zijn overeengekomen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat Halliburton aan de gedragingen van werknemer – het niet reageren op de hem in juli 1995 gezonden pensioenbrochure en op de hem in augustus 1996 overhandigde definitieve tekst van de pensioenregeling, het eerst in 2005 aan de orde stellen van de indexering en het niet reageren op jaarlijkse pensioenoverzichten die melding maken van de bij de nieuwe pensioenregeling ingevoerde WAO-hiatenverzekering – niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat later een voorwaardelijke indexering is overeengekomen. Onder de gegeven omstandigheden kon van werknemer niet worden gevergd dat hij verifieerde of het hem toegezonden pensioenreglement of brochure op het punt van de indexering of op enig ander punt afweek van het door hem in 1994 aanvaarde voorstel.

Ook het feit dat werknemer tijdens de wijziging van de pensioenregeling deel uitmaakte van het managementteam van Halliburton brengt niet met zich dat van hem mocht worden verwacht – mede gezien de eisen van het goed werknemerschap ex artikel 7:611 BW – dat hij navraag zou doen over de voorwaarden van de pensioenregeling. Dat het hof deze omstandigheid niet expliciet benoemt, betekent niet dat het hof heeft miskend dat het bij zijn uitleg van hetgeen tussen partijen was overeengekomen alle omstandigheden, waaronder de positie van werknemer, in aanmerking moest nemen. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Overwegingen AG
De AG had eerder geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het Hof. De AG was namelijk van mening dat Halliburton terecht klaagde dat het hof de Haviltexmaatstaf op onjuiste wijze heeft toegepast (punt 3.18) De HR ging hier dus niet in mee.

De AG overwoog verder nog dat bij werknemerspensioenen drie verhoudingen kunnen worden onderscheiden, namelijk die tussen (i) werkgever en werknemer (de `pensioentoezegging’ of `pensioenoverenkomst’), (ii) werkgever en pensioenverzekeraar of -fonds (ter uitvoering van de pensioentoezegging)(14) en (iii) werknemer en pensioenverzekeraar of -fonds (om de aanspraak van de werknemer op deze te bepalen). De afspraken die in deze relaties worden gemaakt, kunnen door de betrokken partijen met wisselende termen worden aangeduid. Zo is, blijkens de rechtspraak van Uw Raad, de term `pensioenreglement’ zowel gebruikt in een geval om de onder (i) bedoelde relatie aan te geven als in een geval om de onder (iii) bedoelde relatie aan te geven. Het is dus zaak om steeds goed te bezien in welke relatie de uitleg van een `pensioenafspraak’ aan de orde is.

In het onderhavige geval gaat het om een pensioenafspraak tussen werkgever en werknemer, relatie (i) dus. De afspraak in die relatie moet volgens de Haviltexmaatstaf worden uitgelegd. In de relatie onder (iii) geldt daarentegen de CAO-norm.

Zie ook: Pensioenfonds DSM Chemie/Fox, HR 20 februari 2004, JAR 2004/83.