Het einde van het Lego-monopolie

Lego bestaat sinds 1932. Naar verluid zijn er inmiddels voor iedere aardbewoner 52 legoblokjes in omloop. Wie weleens lego aanschaft, weet dat de prijs per blokje aanzienlijk kan zijn. Al met al een lucratieve handel. Lego probeert dan ook met man en macht om de markt exclusief voor zichzelf te houden. Ze gooit alle mogelijke intellectuele eigendomsrechten in de strijd. Maar uit een recent arrest van de Hoge Raad en een recent belangrijk advies aan de hoogste Europese rechter, blijkt dat Lego’s inspanningen waarschijnlijk tevergeefs zullen zijn.

Ooit had Lego octrooi op de uitvinding om een verbinding te maken door de buisjes aan de onderkant van de blokjes, precies te laten passen op de noppen aan de bovenkant. Op grond daarvan kon ze imitatoren van de markt weren. Maar octrooien duren maximaal 20 jaar en het octrooi is reeds lang verlopen.

Het auteursrecht duurt langer, tot 70 jaar na de dood van de maker. Maar omdat de vorm van de blokjes technisch is bepaald – om een bepaald technisch resultaat te krijgen zien ze eruit zoals ze eruit zien – kan er géén auteursrecht op de blokjes rusten. Voor het deponeren van een modellenrecht is het te laat: daarvoor moet de vormgeving ‘nieuw’ zijn, en nu Lego al tientallen jaren op de markt is, is de vormgeving uiteraard niet nieuw.

Al is er geen enkel intellectueel eigendomsrecht van toepassing, toch kan het naar Nederlands recht onrechtmatig zijn om het product van een ander één-op-één na te maken, als daardoor ‘nodeloos verwarring’ wordt gesticht. Ook hierop heeft Lego zich beroepen. In november 2009 oordeelde de Hoge Raad dat er misschien verwarring kan ontstaan, doordat de blokjes van een imitator precies lijken op die van Lego en de consument daardoor kan denken dat de blokjes van Lego afkomstig zijn. Maar deze verwarring over de herkomst van de waar is niet ‘nodeloos’, omdat de blokjes eenvoudigweg precies gelijk moeten zijn. Anders zouden ze immers niet passen. Volgens de rechter kan een ‘bij afnemers bestaande behoefte aan standaardisatie een rechtvaardiging zijn voor het nabootsen van een product’. De imitator kan dus zijn gang gaan.

De laatste strohalm voor Lego is het merkenrecht. Een merkrecht kan oneindig zijn, als de merkhouder maar braaf de taxen blijft betalen. En sinds het befaamde Wokkel-arrest van de Hoge Raad uit de jaren tachtig van de vorige eeuw waarbij werd geoordeeld dat de vorm van de Wokkel als merk beschermd kan zijn, weten we dat driedimensionale vormen als merk kunnen worden gedeponeerd. Uiteraard kon Lego deze kans op het behoud van haar exclusiviteit niet laten lopen. In 1996 deponeerde ze bij het Europese merkenregister een vormmerk voor het blokje.

In 1999 werd het merk officieel ingeschreven. Maar vrijwel meteen daarna tekende een imitator bezwaar aan tegen de inschrijving. Binnenkort moet de hoogste Europese rechter beslissen over de zaak. De advocaat-generaal, de belangrijkste adviseur van die rechter, heeft onlangs laten weten dat zijns inziens de merkregistratie moet worden doorgehaald. De vorm is immers technisch bepaald en merken die bestaan uit de ‘vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen’, komen volgens de wet nu eenmaal niet voor bescherming in aanmerking.

Kortom, de vooruitzichten voor Lego zijn niet gunstig. Voor concurrenten en consumenten echter, zijn ze des te beter.

Contactpersoon:
Arnout Gieske
a.gieske@vandiepen.com