Ancienniteit (A-factor van de kantonrechtersformule)

Onlangs zijn twee uitspraken verschenen over de vraag in hoeverre voorgaande dienstverbanden met (formeel) andere werkgevers meetellen bij de berekening van de anciënniteit (factor A) bij de toekenning van een vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hierbij treft u een commentaar aan op de beschikking van de kantonrechter Roermond van 27 januari 2010. De tweede beschikking wordt behandeld in Ancienniteit deel II, nieuwsbericht 2010/73.

In de beschikking van de kantonrechter Roermond van 27 januari 2010 (LJN BL1876) gaat het om de Rabobank Maas en Leudal, die ontbinding verzoekt van de arbeidovereenkomst met een werknemer, die vanaf augustus 2007 werkzaam is bij deze Rabobank. De bank is in 2007 ontstaan als fusiebank. De werknemer vervult daar thans de functie van directeur Wholesale. Daarvoor is hij vanaf 1 augustus 1973 in diverse functies, vanaf 1985 op directieniveau, onafgebroken binnen de Rabobankorganisatie werkzaam geweest.

Kantonrechter Roermond
De kantonrechter oordeelt dat de Rabobank zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld tot een zodanige samenhangende eenheid dat niet langer volgehouden kan worden dat een werknemer, die in de loop van zijn zich ontwikkelende loopbaan bij steeds een andere vestiging te werk wordt gesteld, daarmee geen anciënniteit zou opbouwen. De Rabobankorganisatie duidt zichzelf ook aan als Rabobank-groep. Er is sprake van een eigen Rabobank-CAO, er is een eigen pensioenregeling en de Rabobank-groep geeft jaarlijks één gemeenschappelijk jaarverslag uit. De Rabobank kent een regeling Mobiliteit Directeuren. Kortom, ampele redenen om in dit verband uit te gaan van een anciënniteit van 37 jaar, aldus de kantonrechter.

Deze uitspraak sluit aan bij en bevat dezelfde argumenten als de beschikking van de kantonrechter Alphen aan den Rijn van 5 juli 2005 (JAR 2005/254) in een andere Rabobank-zaak. Vlak daarvoor had de kantonrechter Eindhoven op 15 juni 2005 (JAR 2005/180) nog anders geoordeeld. Hij telde alleen het dienstverband bij Rabobank Best mee, nu deze Rabobank een zelfstandige rechtspersoon is en het samen met andere Rabobanken gebruik maken van diensten van hun gezamenlijke dochtermaatschappij niet leidt tot een andere uitleg van de factor A. Overigens vond de kantonrechter Eindhoven wel dat een lange verbondenheid aan de groep kan meespelen bij de bepaling van de correctiefactor. Hij kwam in combinatie met de verwijtbaarheid van de ontbinding aan de werkgever tot een vergoeding op basis van C=2 (dat zou factor 0,8 zijn als alle jaren bij de Rabobank groep wel waren meegeteld bij de anciënniteit).

Daarvoor had de kantonrechter Roermond in zijn beschikking van 19 december 2003 (JAR 2004/37) de anciënniteit bij de andere vestigingen van de Rabobank buiten beschouwing gelaten “aangezien er steeds sprake is van zelfstandig opererende filialen” en “het Addendum Sociaal Statuut dit niet anders maakte”. Opvallend is wel dat er een correctiefactor 0,5 werd toegepast.

Om het beeld compleet te maken wordt nog de uitspraak van de kantonrechter Apeldoorn van 7 december 2004 (JAR 2005/53). In die zaak werd herroeping gevraagd van een beschikking van de kantonrechter van 27 februari 2004, waarbij geen rekening was gehouden met de dienstjaren bij andere Rabokantoren. Deze beschikking bleef overeind. De medewerker kon niet aantonen dat sprake was van een algemeen beleid dat dienstjaren, die betrekking hebben op opeenvolgende dienstverbanden met andere Rabokantoren, meetellen bij het berekenen van de vergoeding.

Ook met deze laatste uitspraak van de kantonrechter Roermond kan niet met zekerheid worden gezegd dat een vast beleid van kantonrechters ten aanzien van het meetellen van dienstjaren bij andere kantoren/bedrijven in eenzelfde groep is ontstaan. De laatste uitspraken wijzen toch in de richting dat dit voor wat betreft de Rabobank meestal wel het geval zal zijn. Dat de Rabobank zich de laatste jaren ook steeds meer als eenheid is gaan presenteren zal daarbij ongetwijfeld een rol spelen.