Op 1 juni jl. publiceerde het Ministerie van Justitie een voorstel voor een wetswijziging over het auteurscontractenrecht. De wijziging kan vérstrekkende gevolgen hebben voor de boekuitgeverij. Als het voorstel ongewijzigd wordt aangenomen, kan het de posities van uitgevers en auteurs ingrijpend veranderen. Kamiel Koelman bespreekt de belangrijkste aspecten van het wetsvoorstel.

Overdracht afgeschaft
Het gepubliceerde voorstel beoogt de overdracht van auteursrechten af te schaffen. Momenteel kunnen auteursrechten op twee manieren worden verhandeld. De auteur kan zijn rechten overdragen, of hij kan een licentie geven. De overdracht is het meest definitief; de uitgever aan wie auteursrechten worden overgedragen, treedt als het ware in de plaats van de oorspronkelijke auteur. Hij krijgt dezelfde rechten die de auteur had.

Wanneer een licentie wordt overeengekomen, behoudt de auteur zijn rechten, maar geeft hij de uitgever toestemming om bepaalde dingen met zijn werk te doen. Eigenlijk belooft hij om de uitgever niet voor de rechter te dagen, als die uitgever iets met het werk doet waarvan de Auteurswet bepaalt dat het alléén door de auteur mag worden gedaan. Vaak is een licentie tijdelijk, bijvoorbeeld voor een paar jaar, terwijl een overdracht meestal ‘voor altijd’ is.

Onder het voorontwerp kunnen auteursrechten niet meer aan uitgevers worden overgedragen. Alléén de minder ver strekkende licenties zijn dan nog mogelijk. Deze aanpak is uitdrukkelijk geïnspireerd op het Duitse recht. Dat heeft het romantische uitgangspunt dat de maker en zijn werk onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De auteur legt iets van zichzelf in het werk, zo is de gedachte. Een overdracht van rechten waardoor een auteur niet langer over zijn werk – en dus ook niet meer over een deel van zichzelf - kan beschikken, is daarom in Duitsland ondenkbaar.

Werkgeversauteursrecht
Maar het Nederlandse voorstel volgt het Duitse voorbeeld niet helemaal consequent. Het laat namelijk het zogenaamde ‘werkgeversauteursrecht’ dat we in Nederland kennen, bestaan. Dit betekent dat de rechten op werken die een auteur in dienstverband produceert, wettelijk automatisch voor zijn werkgever zijn. Een overdracht of licentie is daarvoor niet nodig. In Duitsland kan zoiets uiteraard niet; het werk is immers verbonden met degene die het heeft gemaakt en niet met diens baas.

De Nederlandse inconsequentie biedt een uitgever die straks toch volledig de rechten wil krijgen, de mogelijkheid om met de auteur een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst aan te gaan, zodat de uitgever van rechtswege rechthebbende wordt, alsof de rechten volledig aan hem zijn overgedragen. Het is veel meer gedoe dan het opstellen van een uitgeefovereenkomst, maar misschien toch de moeite waard, omdat de uitgever dan niets meer te maken heeft met het hier besproken auteurscontractenrecht.

Maximaal vijf jaar exclusiviteit
Het afschaffen van de overdracht hoeft op zichzelf niet dramatisch te zijn. Een licentie kan zodanig worden vormgegeven dat de gevolgen ervan bijna hetzelfde zijn als die van een overdracht. Het dichtst bij de overdracht komt de exclusieve licentie die de uitgever de zekerheid geeft dat hij als enige het boek op de markt kan brengen. Inderdaad bevatten de meeste uitgeefcontracten – als ze al geen overdracht inhouden - exclusieve licenties, omdat uitgevers zoveel mogelijk de zekerheid willen dat zij hun investeringen kunnen terugverdienen.

Maar als de voorgestelde wijziging wordt aangenomen, kunnen straks álle exclusieve licenties na vijf jaar door de auteur worden opgezegd. Het maakt daarvoor niet uit of in het contract staat dat de licentie langer duurt. De wet bepaalt simpelweg dat zo’n beding ongeldig is. Dat houdt in dat een uitgever nóóit de zekerheid heeft dat hij langer dan vijf jaar als enige het boek kan uitgeven. Na vijf jaar kan de auteur overstappen naar een andere uitgever - die vervolgens kan profiteren van bijvoorbeeld de promotie-inspanningen van de eerste.

Weliswaar genereren veel uitgaven in de eerste maanden, wanneer de promotiecampagne op volle toeren draait, de grootste inkomsten. Maar er zijn boeken die jarenlang blijven lopen. Ook gebeurt het vaak dat bijvoorbeeld filmrechten en rechten op vertalingen pas na enkele jaren relevant worden. De uitgever kan er niet meer op speculeren dat hij inkomsten verkrijgt uit langlopende exploitatie, of uit film- of vertaalrechten.

Collectief onderhandelen
Er is één mogelijkheid om hier onderuit te komen. Volgens het wetsvoorstel kan een langere periode van exclusiviteit worden overeengekomen, als dat wordt geregeld bij overeenkomsten waarover collectief is onderhandeld tussen de uitgever (of zijn brancheorganisatie, bijvoorbeeld het NUV) en een belangenbehartiger van auteurs (bijvoorbeeld LIRA, de VvL of de VSenV). Dit kan betekenen dat de modelcontracten van de VvL, of opvolgers daarvan, die nu dikwijls uitgangspunt zijn van onderhandelingen tussen uitgevers en schrijvers, ongewijzigd moeten gaan gelden. Als van het modelcontract wordt afgeweken, geldt immers weer de maximale periode van vijf jaar. Er is dan dus minder ruimte voor maatwerk.

Eigenlijk lijkt de belangrijkste reden van de – toch wel draconische - invoering van de maximale periode van exclusiviteit te zijn om uitgevers aan te sporen om collectief te onderhandelen over auteurscontracten. Zoals vakbonden centraal onderhandelen over CAO’s, zo moeten vertegenwoordigers van schrijvers en van uitgeverijen dat ook gaan doen, zo is het idee. In de praktijk zal het er om draaien wat uitgevers moeten prijsgeven in ruil voor een langere periode van exclusiviteit. Vooraf valt dat moeilijk in te schatten.

Overigens is ook denkbaar dat uitgevers simpelweg genoegen zullen nemen met slechts vijf jaar exclusiviteit, maar dat zij in ruil voor de mindere vooruitzichten op inkomsten gewoon een lagere vergoedingen willen betalen. Auteurs wier werk na vijf jaar nog waarde heeft of bijvoorbeeld wordt verfilmd, zijn dan beter af; zij kunnen immers opnieuw onderhandelen over de rechten op het werk dat zich inmiddels heeft bewezen. Alle andere schrijvers kunnen echter slechter af zijn.

Recht op billijke vergoeding
De doelstelling om collectieve onderhandelingen te stimuleren blijkt ook uit een nieuwe bepaling die regelt dat een auteur altííd recht heeft op een ‘billijke vergoeding’, als hij een exclusieve licentie verleent. Het is natuurlijk arbitrair wat ‘billijk’ is. Wat de één redelijk vindt, kan de ander onredelijk voorkomen. Tenzij een uitgever bijzonder genereuze aanbiedingen doet, hangt hem daarom steeds de dreiging boven het hoofd dat een rechter hetgeen hij aan zijn auteurs betaalt, achteraf ‘onbillijk’ (te weinig) vindt. Zoiets komt de zekerheid, en daarmee de wil om te investeren, uiteraard niet ten goede.

Een uitgever heeft onder het voorstel alléén zekerheid dat de vergoeding die hij met de auteur overeenkomt ‘billijk’ is, als over die vergoeding collectief is onderhandeld en het resultaat van die onderhandelingen door de minister officieel ‘billijk’ is verklaard. Het heeft wat weg van het minimumloon. Uitgevers zullen ervan uit moeten gaan dat zij uiteindelijk tenminste de billijk verklaarde vergoeding moeten betalen. De Minister van Justitie vindt blijkbaar dat de relatie tussen uitgever en schrijver méér moet gaan lijken op die van een werkgever met zijn werknemers, dan op die tussen twee ondernemers die samen een avontuur aangaan en afspraken maken over de verdeling van de risico’s.

Bestsellerregeling
De zekerheid wordt nog verder ondermijnd. Oók als er een door de overheid uitgevaardigde ‘billijke’ vergoeding is, staat niet vast dat een uitgever met betaling van die vergoeding van alle kosten af is. Het wetsvoorstel introduceert een zogenaamde ‘bestsellerregeling’. Dat houdt in dat de auteur de rechter kan vragen om het bedrag waarop hij aanspraak heeft te verhogen, indien er ‘ernstige onevenredigheid’ bestaat tussen de opbrengst voor de uitgever en de betaling aan de auteur. Wanneer de rechter het verzoek honoreert, heeft de auteur met terugwerkende kracht aanspraak op méér geld.

Dit kan ertoe leiden dat een auteur plotseling een aanzienlijke vordering heeft op de uitgever, als een boek een groot succes is. Het zal moeten worden afgewacht of de regeling in de praktijk van grote betekenis zal zijn. Ook deze regeling is gebaseerd op het Duitse recht en het Duitse equivalent ervan wordt nauwelijks toegepast. Niettemin kan het voorstel tot gevolg hebben dat een uitgever er minder van uit kan gaan dat hij zijn flops kan compenseren met zijn successen. Als boven gezegd kan de maximale periode van exclusiviteit ook al tot gevolg hebben dat de uitgever een boek dat goed loopt, minder kan uitmelken. Resultaat van dat alles kan weer zijn dat uigevers veel meer op zeker gaan spelen en minder gauw boeken van nieuwe, nog onbekende auteurs publiceren.

Exploitatieplicht
Een van de wat minder controversiële onderdelen van het wetsvoorstel is het recht van de auteur om een exclusieve licentie te ontbinden, als de uitgever het werk niet binnen een redelijke termijn, of niet langer ‘in voldoende mate’, exploiteert. Op het eerste gezicht is dit niet onredelijk. Als de uitgever toch niks meer doet met het de rechten, kan hij ze immers net zo goed teruggeven. In veel contracten komt een bepaling met deze strekking al voor. Een rechter oordeelde naar huidig recht ook al dat, zelfs al ontbreekt zo’n bepaling, een (muziek)uitgever rechten moest teruggeven, omdat hij er niets meer mee deed. Toch roept deze bepaling vragen op met betrekking tot bijvoorbeeld film- en vertaalrechten. Als gezegd kan het enige tijd duren voordat deze rechten relevant worden. Kan de uitgever niet meer rekenen op de inkomsten uit deze rechten, als ze niet snel worden uitgebaat – als hij ze overigens überhaupt nog zou hebben nadat er vijf jaar is verstreken?

Opties op toekomstige werken
Tegenwoordig zijn het vaak niet zozeer de titels, als wel de namen – en koppen - van schrijvers die verkopen. Een uitgever investeert in promotie van een schrijver, omdat hij erop speculeert dat zijn investeringen zich over meerdere uitgaven terugverdienen. Onder het nieuwe voorstel is de vraag of zoiets nog mogelijk is.

Onredelijk lange opties op nog te maken werken zouden, als het voorstel wet zou worden, ongeldig zijn. Wat in dit verband ‘onredelijk’ is, zal nog moeten blijken. In ieder geval kan de uitgever er niet op vertrouwen dat hij een auteur kan houden aan de afspraak dat al zijn werken door deze uitgever zullen worden gepubliceerd. Nu al kan een auteur eventueel overstappen naar een andere uitgever, maar in de regel zal hij dan wel de overeenkomst moeten afkopen. In de toekomst hoeft dat niet meer nodig te zijn. Dat kan ertoe leiden dat uitgevers minder willen investeren in de naamsbekendheid van een auteur.

Verder kunnen bepalingen die ‘evident onredelijk bezwarend’ zijn voor de auteur eveneens door de rechter worden vernietigd. In de toelichting bij het wetsvoorstel wordt het voorbeeld gegeven van een royaltyvergoeding die pas begint te lopen, als de uitgever alle kosten, inclusief promotiekosten, heeft terugverdiend. Mijns inziens kan zo’n clausule echter moeilijk ‘evident onredelijk’ worden genoemd. Waarom zou de auteur immers al inkomsten moeten hebben, als de uitgever zijn investeringen nog niet terug heeft? Het voorbeeld lijkt niet erg gelukkig gekozen. Maar het illustreert nog eens dat de auteur meer als een werknemer wordt beschouwd - die immers óók recht heeft op loon, als zijn werkgever verlies maakt - dan als een zakenpartner van de uitgever.

Slot
Het wetsvoorstel gaat zéér ver. Verder dan mij bekende regelingen in andere landen. Maar de meest draconische maatregelen – het recht op billijke vergoeding en de maximale exclusiviteitsperiode – zijn blijkbaar opgenomen met de verwachting dat zij collectieve onderhandelingen zullen stimuleren en dat ze uiteindelijk toch geen werking zullen hebben. Het is de vraag of deze verwachting terecht is.

Als het voorstel ertoe leidt dat auteurs beter af zijn, heeft dat noodzakelijk tot gevolg dat uitgevers minder gaan verdienen. Een aannemelijk resultaat van de nieuwe regeling is dat de verdeling van de opbrengst tussen enerzijds succesvolle auteurs wier boeken en rechten veel opbrengen en anderzijds uitgevers, zal verschuiven ten voordele van de eersten. Uitgevers zullen de opbrengsten uit succesvolle boeken dan niet meer kunnen gebruiken om de gaten van de flops te dichten. De voorgestelde wetswijziging kan er daarom toe leiden dat uitgevers mínder geneigd zijn om risico’s te nemen en om te investeren in nog onbekende boeken en schrijvers.

In het wetsontwerp wordt de schrijver meer als een werknemer gezien, dan als een zakenpartner van de uitgever. Het voorstel kan zelfs aanmoedigen om auteurs in dienst te nemen. Kort gezegd is het uitgangspunt dat de auteur minder mag delen in het risico van een uitgave, maar méér moet delen in het succes ervan. Voor de uitgever geldt dan vanzelfsprekend het omgekeerde: hij moet méér risico nemen, maar mag minder aanspraak maken op de opbrengsten daarvan.

De wetswijziging is in een nog zeer prille fase. Het kan jaren duren voordat het voorstel in het wetboek terechtkomt. Meestal haalt zo’n voorstel niet ongewijzigd de eindstreep. Tot 31 augustus a.s. kunt u op de website van het Ministerie van Justitie aangeven wat uw mening erover is.

(http://www.internetconsultatie.nl/auteurscontractenrecht)