Noot bij  Rb. Den Haag 23 juni 2010, B9 8934, (Norma/Staat der Nederlanden)

De Staat handelt niet onrechtmatig door na te laten een heffing in te stellen op harde schijven en mp3-spelers.

Norma is naarstig op zoek naar omzet. Ze maakte al vergeefs aanspraak op de kabelgelden.[1] Nu wil ze haar – teruglopende - inkomsten vergroten door de staat te dwingen een thuiskopieheffing te introduceren op hard-disk-recorders en mp3-spelers. In kort geding werden haar vorderingen in twee instanties afgewezen,[2] en ook in de bodemprocedure worden Norma’s vorderingen niet gehonoreerd.

De hoogte van de thuiskopieheffing wordt ingevolge artikel 16e Aw bepaald in een stichting die zodanig is samengesteld dat de belangen van enerzijds rechthebbenden en anderzijds betalingsplichtigen – fabrikanten en importeurs van opnamemedia - op evenwichtige wijze worden behartigd. Deze stichting is de Stichting Onderhandelingen Thuiskopie (SONT), waarvan het bestuur wordt gevormd door drie vertegenwoordigers van rechthebbenden, drie vertegenwoordigers van betalingsplichtigen en een onafhankelijke voorzitter. U begrijpt dat de stemmen in dit bestuur vaak staken; drie bestuursleden zijn in de regel vóór een verhoging van de heffing en drie zijn er tegen. Dit betekent dat de voorzitter meestal de beslissende stem heeft. In feite bepaalt hij in zijn eentje wat er gebeurt.

Toen partijen onenigheid hadden over wat er moest gebeuren met nieuwe digitale opnamemedia, bedacht de voorzitter een mooi compromis waarmee hij hoopte iedereen tevreden te stellen: digitale audiospelers, zoals mp3-spelers en digitale videorecorders – momenteel hard-disk-recorders geheten – zouden op de lijst komen van opnamemedia waarvoor een heffing verschuldigd is, maar die heffing zou vooralsnog worden vastgesteld ‘op nihil’.[3] Onder meer omdat over het feit dat vele tientallen miljoenen aan geïnde thuiskopiegelden niet waren uitgekeerd enige maatschappelijke onrust was ontstaan[4] – het auteursrecht is tegenwoordig een onderwerp dat de gemoederen bezighoudt - besloot de minister om de voorzitter van de SONT te overrulen. Hij gebruikte zijn bevoegdheid ex artikel 16c Aw op grond waarvan bij AMvB kan worden bepaald ten aanzien van welke voorwerpen waarop kan worden opgenomen een heffing verschuldigd is, en bepaalde dat mp3-spelers en hard-disk-recorders niet tot de opnamemedia behoren waarop geheven moet worden.[5]

Tegen deze en erop geënte vervolgmaatregelen, maakt Norma nu bezwaar. Onterecht, zo oordeelt de rechter. De wet noch hogere regelingen, zoals de Auteursrechtrichtlijn of de drie stappentoets, bepalen dat op álle opnamemedia moet worden geheven. Hoogstens kan eruit volgen dat rechthebbenden meer in het algemeen aanspraak hebben op een ‘billijke’ compensatie voor thuiskopiëren. Norma ontving in 2007 € 4.486.000 aan thuiskopiegelden. De rechtbank ziet niet in waarom die vergoeding onbillijk zou zijn.

Een creatief argument van Norma is dat ze onrechtmatig zou zijn onteigend op grond van het eigendomsrecht als gegarandeerd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.[6] Van het merkrecht is al bepaald dat het een eigendomsrecht is in de zin van deze bepaling.[7] Met het auteursrecht zal dat dan ook wel het geval zijn. In casu zouden de rechthebbenden worden onteigend door de thuiskopieerexceptie en tegenover een onteigening zou een zekere compensatie moeten staan. Die compensatie zou ontbreken, indien niet wordt geheven op álle opnamemedia. De rechter wijst deze argumentatie eigenlijk op dezelfde wijze af als alle andere argumenten: niet is in te zien waarom compensatie van vier en een half miljoen euro inadequaat zou zijn. Hij laat wijselijk in het midden of introductie van een beperking van het auteursrecht inderdaad moet worden opgevat als ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Het grote probleem bij gebruik waarvoor via monopolistische, collectieve rechtenorganisaties wordt afgerekend, zodat het marktmechanisme geen vrij spel heeft, is dat de economische waarde ervan bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, objectief is vast te stellen. Dit is de reden dat eenmaal vastgestelde vergoedingen vaak jarenlang ongewijzigd blijven; omdat niemand weet of de vergoeding te hoog of te laag is, zijn er geen goede argumenten aan te voeren op grond waarvan de vergoeding omhoog of omlaag moet. Aantonen dat een vergoeding niet billijk zou zijn, is derhalve geen gemakkelijke opgave. Desalniettemin suggereerde het HvJEG in relatie tot de billijke vergoeding van artikel 7 WNR, dat de economische waarde van het gebruik bij beoordeling van de ‘billijkheid’ een rol moet spelen.[8] Eveneens wordt in artikel 25 van het aanhangige Wetsvoorstel tot wijziging van het toezicht op collectieve rechtenorganisaties bepaald dat een nog in te stellen geschillencommissie ‘de waarde van het gebruik van het werk in het economisch verkeer’ als criterium moet gebruiken bij vaststelling van de billijkheid van – onder meer – de  thuiskopievergoeding.[9]


--------------------------------------------------------------------------------

[1] Rb. Den Haag 28 januari 2009, AMI2009, p. 163 (Norma/NL Kabel).

[2] Hof Den Haag 11 november 2008, B9 7272.

[3] Stcrt, 2006, nr. 245, p. 38.

[4] Zie ook Rb. Den Haag 31 maart 2010, m.nt. Van Lingen elders in deze aflevering.

[5] Stb. 2007, 75.

[6] De tekst van artikel 1 van Protocol (Nr. 1) bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden luidt: ‘Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.’
[7] EHRM 11 oktober 2005, IER 2006, p. 20 (Anheuser-Busch), waarover W. Sakulin, ‘Géén "recht op prestatiebescherming" wél mogelijkheid voor betere afweging’, IER 2006, p. 119-120.

[8] HvJEG 6 februari 2003, C-245/00 (SENA/NOS), AMI 2003, p. 118 ; zie ook HR 28 mei 2004 (SENA/NOS), NJ 2006, 375.

[9] TK 2008–2009, 31 766.